20/07/2012

Aansprakelijkheid van de architect voor de keuze van aannemer

Overeenkomstig artikel 4 van de Wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en het beroep van architect moet verplicht op een architect beroep worden gedaan voor het opmaken van de plannen, en de controle op de uitvoering van werken, waarvoor bij wet, besluit of reglement een voorafgaande aanvraag en toelating tot bouwen vereist is. In de praktijk is dus voor omzeggens elke nieuwbouw of verbouwing de medewerking van een architect nodig.

De invulling van deze taak en verantwoordelijkheid van een architect is nader gepreciseerd in het Reglement van de beroepsplichten van de Nationale Orde van Architecten, goedgekeurd en verbindend verklaard bij Koninklijk Besluit van 18 april 1985), waarin onder meer ook is bepaald dat de architect de bouwheer bij moet staan in de keuze van de aannemer met het oog op een realisatie in de beste voorwaarden naar prijs en kwaliteit, en om de bouwheer te wijzen op de waarborgen die de aannemer biedt (artikel 22).

Dat laatste is recent het onderwerp van een procedure hangende voor het Hof van Cassatie. Concreet betrof het een geval waarin de architect in de architectenovereenkomst had laten opnemen dat de bouwheer zelf verantwoordelijk zou zijn om na te gaan of de aannemers waarmee hij zou werken geregistreerd waren en of zij over de nodige attesten, waaronder een vestigingsattest, beschikte. Bleek dat de bouwheer uiteindelijk had gekozen voor een aannemer die niet over het vereiste vestigingsattest beschikte.  

In graad van beroep werd geoordeeld dat de architect daarvoor niet aansprakelijk kon worden gesteld, precies omdat contractueel was bepaald dat hij niet aansprakelijk kon worden gesteld voor de keuze van aannemers en hun mogelijks gebrekkige kwalificaties en of ontbrekende vergunningen. Het Hof van Cassatie hervormde op dat punt evenwel het arrest van het Hof van Beroep van Luik (5 november 2009) op grond van de voormelde artikelen 4 van de wet van 20 februari 1939 en artikel 22 van het reglement van beroepsplichten van de architect.

Het Hof oordeelde meer bepaald dat deze bepalingen de openbare orde raken, waarvan artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek uitdrukkelijk bepaalt dat partijen daar bij overeenkomst niet van kunnen afwijken. Wat er ook contractueel is overeengekomen, het is volgens het Hof van Cassatie dus steeds de plicht van een architect om de bouwheer te adviseren over het al dan niet voldaan zijn aan de vereisten inzake registratie, eventuele erkenning, solvabiliteit en burgerlijke beroepsverzekering.