20/01/2016

Actualia vermogensrecht en fiscaliteit

248_detail.jpg

Een nieuw jaar gaat meestal gepaard met nieuwe voornemens. Ook wij hebben die voor ons gemaakt. In 2016 willen wij u nóg beter informeren over de actuele tendensen op het vlak van vermogensrecht en fiscaliteit. Via onze brightsides zullen wij u maandelijks een update geven (kort, maar krachtig) van de belangrijkste evoluties (een wetswijziging, een prejudiciële vraag, een administratief standpunt, een interessante uitspraak, enz.).

Zo blijft ook u op de hoogte van het reilen en zeilen in deze steeds in beweging zijnde materie. Wilt u over een onderwerp meer weten, aarzel dan niet om contact met ons op te nemen. Wij kunnen u daarover dan verder berichten. Rest ons niets anders dan u een gezond, gelukkig en succesvol 2016 te wensen. Dat het jaar mag brengen wat u ervan verwacht.

In de voorbije maand zijn de volgende noemenswaardige ontwikkelingen te melden.

Actualia op civielrechtelijk vlak

  • Aan het Grondwettelijk Hof werd door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel een prejudiciële vraag gesteld met betrekking tot artikel 577-2 BW, inz. §§ 3 en 5. Concreet wordt via verschillende argumentaties nagegaan of het verantwoord is dat een deelgenoot die het exclusief gebruik en genot had van een onverdeeld onroerend goed eveneens een woonstvergoeding is verschuldigd indien hij geen schuld treft aan het feit dat de andere deelgenoot zijn recht op genot en gebruik niet in natura heeft uitgeoefend (bijv. indien deze laatste vrijwillig de woning heeft verlaten en dus heeft geweigerd om zijn recht in natura uit te oefenen). De zaak is ingeschreven onder nummer 6299 van de rol van het Hof en werd gepubliceerd in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 5 januari 2016.
  • Het wetboek van vennootschappen wordt binnenkort mogelijk ingrijpend gewijzigd. Een voorstel daartoe werd voorgelegd aan de Kamercommissie. Krachtlijnen van het voorstel zijn: een ingrijpende vermindering van het aantal vennootschapstypes, een verregaande versoepeling van de BVBA, het naar voren schuiven van de NV als de vennootschap voor grote en genoteerde ondernemingen, afschaffing van de pluraliteitsvereiste bij kapitaalvennootschappen en afstapping van de werkelijke zetelleer.

Actualia op fiscaal vlak 

a.      Op vlak van inkomstenbelasting

  • Ook buitenlandse vennootschappen kunnen voortaan (voor inkomsten die worden toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 28 december 2015) genieten van het DBI regime (nieuw art. 269/1 WIB) (wijziging door de wet van 18 december 2015 houdende fiscale en diverse bepalingen, BS 28 december 2015) (memo: hiermee komt Belgische wetgever tegemoet aan haar veroordeling door het Europees Hof van Justitie in het Tate & Lyle arrest van 12 juli 2012, zaak C-384/11).
  • Met ingang van 1 januari 2016 is de speculatiebelasting van kracht. De speculatiebelasting belast speculatieve meerwaarden op beursgenoteerde aandelen, beursgenoteerde opties, beursgenoteerde warrants of andere beursgenoteerde financiële instrumenten die zijn verwezenlijkt buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel binnen de zes maand na de verkrijging ervan (nieuw art. 90, 13° WIB). De meerwaarde wordt belast aan een afzonderlijke aanslagvoet van 33% (nieuw art. 171/1 WIB) (wijziging door de wet van 26 december 2015 houdende maatregelen inzake versterking van jobcreatie en koopkracht, BS 30 december 2015).
  • Met ingang van 1 januari 2016 wordt de roerende voorheffing algemeen verhoogd van 25 naar 27% (nieuw art. 171, 3° WIB). Deze verhoging geldt voor alle inkomsten op zichtrekeningen, termijnrekeningen, kasbons, coupons van obligaties, volksleningen, staatsbons andere dan Leterme-Staatsbons (deze laatste blijven onderworpen aan 15% RV), beleggingsfondsen, residentiële vastgoedvennootschappen, coöperatieve aandelen (voor het aandeel dat de vrijstelling overschrijdt) en aandelen (wijziging door de wet van 26 december 2015 houdende maatregelen inzake versterking van jobcreatie en koopkracht, BS 30 december 2015).
  • De roerende voorheffing die is verschuldigd in geval van een aantasting van een aangelegde liquidatiereserve binnen de eerste vijf jaar na het boekjaar van aanleg, wordt verhoogd van 15 naar 17% (nieuw art. 171, 3° septies WIB) (wijziging door de wet van 26 december 2015 houdende maatregelen inzake versterking van jobcreatie en koopkracht, BS 30 december 2015).
  • De "gewone" investeringsaftrek voor zelfstandigen en voor kmo's wordt verhoogd van 3,5 of 4 naar 8%. Deze investeringsaftrek is van toepassing op investeringen aangeschaft of tot stand gebracht vanaf 1 januari 2016 (nieuw art. 69 en 201 WIB) (wijziging door de wet van 26 december 2015 houdende maatregelen inzake versterking van jobcreatie en koopkracht, BS 30 december 2015).
  • Kmo's en zelfstandigen kunnen vanaf aanslagjaar 2016 een verhoogde investeringsaftrek van 13,5% toepassen voor investeringen in digitale beveiliging en digitale facturerings- en betalingssystemen (Programmawet van 10 augustus 2015, BS 18 augustus 2015). Op 8 december 2015 is nu ook het uitvoerings-KB gepubliceerd waarin wordt bepaald welke investeringen in aanmerking komen en welke vermeldingen op de factuur moeten staan om te kunnen genieten van de verhoogde investeringsaftrek (nieuw art. 49/1 en bijlage IIter/1 KB WIB1992, gewijzigd door het KB van 2 december 2016, BS 8 december 2015).
  • Om de koopkracht van de consument te versterken werden de volgende maatregelen getroffen (wijziging door de wet van 26 december 2015 houdende maatregelen inzake versterking van jobcreatie en koopkracht, BS 30 december 2015):
    • een verhoging van de forfaitaire beroepskosten (verruiming van de inkomensschijf waarvoor de beroepskosten worden berekend tegen 30% voor bezoldigingen van werknemers die vanaf 1 januari 2016 worden betaald of toegekend en een uniform tarief van 30% voor bezoldigingen van werknemers die vanaf 1 januari 2018 worden betaald of toegekend) (nieuw art. 51 WIB);
    • een verlaging van het tarief in de personenbelasting door de tariefschijf van 30% te integreren in die van 25% en de tariefschijf van 40% omvangrijker te maken (een en ander wordt stapsgewijs doorgevoerd in enerzijds aanslagjaar 2017 en anderzijds aanslagjaar 2019 (nieuw art. 130 WIB);
    • een verhoging van de belastingvrije som vanaf aanslagjaar 2019 (nieuw art. 131 e.v. WIB);
    • aanpassing basisbedragen belastingvermindering pensioenen en vervangingsinkomsten (nieuw art. 147 WIB).
  • De woonfiscaliteit voor nieuwe leningen wordt met ingang van aanslagjaar 2017 uniform gemaakt en geïntegreerd in de woonbonus onder de "geïntegreerde woonbonus" (nieuwe artt. 14537 e.v. WIB) (wijziging door het decreet van 18 december 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016, BS 29 december 2015).
  • De artikelen over fiscale en sociale regularisatie zijn uit de wet van 26 december 2015 houdende maatregelen inzake versterking van jobcreatie en koopkracht (BS 30 december 2015) gelicht. De regelgeving daaromtrent zal in een apart wetsontwerp opnieuw worden ingediend (Parl.St. Kamer 2015-16, stuk 1479/12, 17-19 en 1479/1, 116-120). De nieuwe regeling hieromtrent zal bijgevolg nog niet in werking treden op 1 januari 2016.

  • Volgende wetsvoorstellen zijn in januari 2016 verschenen:
    • wetsvoorstel tot wijziging van het WIB 1992 met betrekking tot de aftrekbaarheid van doeloverschrijdende kosten, waarin wordt voorgesteld om artikel 49 WIB1992 in die zin te wijzigen dat kosten niet langer aftrekbaar zijn voor zover ze niet in noodzakelijk verband staan met de maatschappelijke of werkelijke activiteit van een belastingplichtige (de indiener van dit wetsvoorstel wil daarmee de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie inzake beroepskosten, o.m. het Saint-Gobain arrest, ontzenuwen);
    • wetsvoorstel tot wijziging van het WIB 1992 wat betreft de bancaire discretieplicht en de toegang tot het Centraal Aanspreekpunt, waarin wordt voorgesteld om de discretieplicht die rust op financiële instellingen op te heffen. Op heden dient de fiscus, ingevolge deze discretieplicht, vooraleer er bij een financiële instelling om vraag om inlichtingen kan worden ingediend, een uitgebreide procedure te doorlopen om belastingontduiking te bewijzen;
    • wetsvoorstel tot wijziging van het WIB 1992 wat het aanslagpercentage in de roerende voorheffing betreft, waarin wordt voorgesteld om de voorwaarden waaronder kleine vennootschappen van een verminderd tarief in de roerende voorheffing kunnen genieten, worden verstrengd;
    • wetsvoorstel tot wijziging van het WIB 1992 wat betreft het vestigen van een nieuwe aanslag na procedurefouten, waarin voor de fiscus de mogelijkheid wordt aangereikt om, in geval van een nietige belastingaanslag wegens procedurefouten, de oorspronkelijke aanslag te behouden en de begane onregelmatigheid ongedaan te maken zonder wachttermijn van 3 maanden;
    • wetsvoorstel betreffende het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken, waarin wordt bepaald dat bewijsmateriaal dat door de fiscus op onregelmatige wijze wordt verkregen onder bepaalde voorwaarden alsnog in een procedure kan worden gebruikt;
    • wetsvoorstel betreffende de tax shelter voor startende ondernemingen, waarin opnieuw wordt voorgesteld om het regime van de tax shelter te wijzigen teneinde de antimisbruikbepalingen aan te scherpen en een compensatie te eisen voor het toegekende belastingvoordeel.

b.      Op vlak van registratie- en erfbelasting

  • Erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden zijn voortaan niet langer gehouden tot de betaling van de erfbelasting die is verschuldigd door legatarissen en begiftigden onder algemene titel of onder bijzondere titel, indien het gaat om verkrijgingen die overeenkomstig de artikelen 2.7.1.0.5, §1, tweede lid en 2.7.1.0.6 VCF (oude artt. 7 en 8 W.Succ.) met een legaat worden gelijkgesteld (memo: het Grondwettelijk Hof oordeelde bij arrest van 20 oktober 2011 reeds dat oud art. 70, tweede lid W.Succ. ongrondwettig is in het geval van oud art. 8 W.Succ.; een gelijkaardige prejudiciële vraag lag momenteel voor met betrekking tot oud art. 7 W.Succ. - prejudiciële vraag van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 25 juni 2015) (wijziging art. 3.10.4.3.1 VCF) (wijziging door decreet van 18 december 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016, BS 29 december 2015).
  • Het verdeelrecht dat bij een uitonverdeeldheidtreding van onroerend goed tussen gewezen partners is verschuldigd, wordt - met retroactieve ingang vanaf 1 juli 2015 - vastgeklikt op 1%, ongeacht het tijdstip, de procedure en formaliteiten waaronder de uitonverdeeldheid plaatsvindt (in geval van echtscheiding is het dus niet langer vereist dat de afstand onmiddellijk plaatsvindt dan wel verplicht via (notariële) regelingsakte ex art. 1287 Ger.W.). In geval van wettelijke samenwoning wordt wel vereist dat de samenwoning minstens één jaar heeft geduurd en dat de uitonverdeeldheidtreding plaatsvindt binnen de drie jaar na de beëindiging van de wettelijke samenwoning (wijziging art. 2.10.4.0.1 VCF) (wijziging door decreet van 18 december 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016, BS 29 december 2015).
  • Er werd verduidelijkt dat het verlaagd tarief in de onroerende schenkbelasting in geval van renovatiewerken of verhuring enkel geldt voor schenkingen die zijn gedaan met ingang van 1 juli 2015 (en dus geen toepassing vindt bij schenkingen die hebben plaatsgevonden tijdens de eerste jaarhelft van 2015) (wijziging art. 2.8.4.3.1 VCF) (wijziging door decreet van 18 december 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016, BS 29 december 2015).
  • Op 31 december 2015 verscheen in het Belgisch Staatsblad de omzendbrief van VLABEL van 15 december 2015 (2015/2) betreffende de interpretatie van de regelgeving met betrekking tot de overdracht van familiale ondernemingen en vennootschappen.
  • De tarieven voor het schenken van vastgoed werden ook in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gunstiger gemaakt. De tarieven variëren voortaan van 3 tot 27% in rechte lijn, tussen echtgenoten en samenwonenden en van 10 tot 40% tussen alle andere personen (wijziging art. 131 Br.W.Reg.) Het progressievoorbehoud in geval van overlijden binnen een termijn van drie jaar op de schenking (art. 66bis Br.W.Succ.) wordt opgeheven (wijziging door ordonnantie van 18 december 2015 houdende het eerste deel van de fiscale hervorming, BS 30 december 2015).