Vierdelige opleidingscyclus actualia vermogensrecht (opleiding 4)
11/12/2018, 17u30

De hervorming van de erfbelasting. Wijzigingen na de hervorming van het erfrecht en evaluatie op vlak van successieplanning. Een analyse.

Carine Esprit, B-Minus

De aanpak van de advocaten bij Bright is veel meer dan rechtsbijstand alleen. Bright begeleidt...

18/02/2016

Actualia vermogensrecht en fiscaliteit

247_detail.jpg

I. Investeren in andermans vermogen: quid bij het beëindigen van de feitelijke samenwoning?

Bij het beëindigen van een relatie tussen feitelijk samenwonende partners ontstaat niet zelden betwisting over de financiële vermogensverschuivingen die zich tijdens de feitelijke samenwoning tussen de partners hebben voorgedaan. Zolang de relatie goed gaat, stelt zich geen probleem. Eens echter aan de relatie een einde komt, vliegen de vergoedingsaanspraken in het rond. In het decembernummer van hetTijdschrift voor Notarissen verschenen over deze problematiek enkele interessante uitspraken.

In een eerste geval had een van de partners eigen gelden geïnvesteerd in een eigen (onroerend) goed van de andere partner (concreet: door het financieren van de inrichting van een zolderruimte). In een tweede geval werd voorgehouden dat er een (kennelijk) onevenwicht voorlag tussen de bijdragen van elke partner in de lasten van de samenleving. Telkens werd bij de beëindiging van de relatie door de ene partner lastens de andere een vergoeding gevorderd 'voor hetgeen men teveel had betaald'.

Het vorderen van een vergoeding voor een ongelijke financiële bijdrage in het kader van een feitelijke samenwoning is geen sinecure. In tegenstelling tot gehuwden bestaat er geen statuut met rechten en plichten voor feitelijk samenwonende partners. Zij kiezen als het ware voor een niet-geïnstitutionaliseerde samenlevingsvorm met alle vrijheid, risico's en gevolgen vandien. Het gevaar van een en ander werd geïllustreerd door enkele uitspraken van het hof van beroep te Gent.     

Het hof van beroep te Gent oordeelde dat feitelijk samenwonende partners in onderling overleg een welbepaald bestedingspatroon aan de dag leggen, waarbij het feitelijk gezin diverse huishoudelijke en aanverwante schulden moet dragen en dat van de partners mag worden verwacht dat zij, op basis van een tussen hen verondersteld solidariteitsgevoel, elk naar best vermogen en in verhouding tot hun (financiële) middelen en mogelijkheden bijdragen in deze dagdagelijkse kosten. 

Deze solidariteitsgedachte uit zich naar het oordeel van het hof in een natuurlijke verbintenis in hoofde van elke partner tot het bijdragen in de lasten van de samenleving, hetgeen latere vergoedingsaanspraken zou verhinderen. Het hof neemt daarbij aan dat partijen vrij kiezen op welke wijze zij de solidariteit binnen hun feitelijk gezin wensen te organiseren en dat de lasten en uitgaven die hun samenwoning meebrengen ad hoc door hen worden geregeld, al naargelang de omstandigheden van de samenwoning. Zodoende zou een vordering tot terugbetaling van een gebeurlijke investering in een eigen goed van de andere partner of een gebeurlijke geldelijke meerinbreng door een van de partners niet zomaar slagen, zelfs niet als er een duidelijk onevenwicht in de respectieve bijdragen zou voorliggen. 

Aangenomen wordt dat de wederzijdse verarming (van de ene partner) en verrijking (van de andere partner) hun oorzaak vinden in de affectieve relatie die hen verenigt en in de noodzaak om hun samenleven te bestendigen. Enkel wanneer uitgaven door de ene partner de normale lasten van de samenleving zouden overschrijden en dit ook kan worden bewezen, zou er volgens het hof sprake kunnen zijn van een verrijking zonder oorzaak (met vergoeding tot gevolg). De affectieve relatie tussen de partners zou de toepassing van de leer van de verrijking zonder oorzaak niet uitsluiten. Voor wat de geldelijke meerinbreng door de ene partner betreft, zou dan weer moeten worden aangetoond dat alleen hij of zij zich heeft verarmd ten voordele van de andere partner en dat alleen zijn of haar financiële middelen werden aangewend bij uitgaven voor de lasten van de feitelijke samenwoning. Zo dit niet het geval is, wordt aangenomen dat de betalingen die de partners ieder op zich hebben verricht, elkaar hebben gecompenseerd, als een feitelijke steun en hulp aan elkaar. 

Het hoeft weinig uitleg dat een en ander een zware bewijslast met zich meebrengt en voer is voor tal van betwistingen. Moraal van het verhaal is dus: denk proactief en wacht niet tot het te laat is. Door op voorhand duidelijke afspraken tussen de partners te maken en deze ook op papier te zetten (bijv. via een samenlevingscontract), kunnen heel wat problemen worden voorkomen en kan worden vermeden dan men later voor onaangename verrassingen komt te staan.

 II. De verzekeringsgift: gevolgen op het vlak van de erfbelasting?

In de voorbij periode werden door VLABEL terug een aantal opmerkelijke en allerminst onbelangrijke beslissingen genomen. In het bijzonder de problematiek van de verzekeringsgift en de daaraan verbonden gevolgen op het vlak van de erfbelasting verdient daarbij bijzondere aandacht. 

De problematiek is gekend: vader sluit op zijn hoofd een verzekeringsproduct af met zijn zoon als begunstigde van de polis (configuratie AAB). Bij overlijden van vader worden de verzekeringsprestaties aan de zoon uitgekeerd, die hierop klassiek wordt belast in de erfbelasting (oud art. 8 W.Succ.). Fiscaal wordt de uitkering via levensverzekering immers gelijkgesteld met een belastbaar beding ten behoeve van een derde. Om aan deze belasting te ontsnappen, kan vader overwegen om zijn levensverzekering (lees: alle rechten en plichten van het contract) reeds tijdens zijn leven aan zijn zoon te schenken. De zoon wordt dan de nieuwe verzekeringnemer van het contract en kan zichzelf als begunstigde van het verzekeringscontract bevestigen (AAB à BAB). Er ligt dan geen belastbaar 'beding ten behoeve van een derde' meer voor maar een niet-belastbaar 'beding ten behoeve van zichzelf'. Zodoende zou men uit het toepassingsveld van oud art. 8 W.Succ. vallen. 

Het is geweten dat VLABEL zich uitdrukkelijk tegen deze planningstechniek verzet. In een eerdere beslissing gaf zij reeds te kennen dat de uitkering in de voormelde hypothese nog steeds in hoofde van de zoon als begunstigde van het verzekeringscontract in de erfbelasting zal worden belast. De voorafgaande schenking van het verzekeringscontract aan de zoon zou aldus geen soelaas bieden. Ook het gegeven dat de schenking van het levensverzekeringscontract aan de schenkbelasting zou zijn onderworpen, zou volgens VLABEL geen zoden aan de dijk brengen. De verschuldigde erfbelasting zou enkel kunnen worden vermeden door hetzij de aanduiding door de zoon van een volstrekt nieuwe begunstigde dan wel door het bestaande verzekeringsproduct af te kopen en te investeren in een nieuw verzekeringsproduct. Deze beslissing werd met forse kritiek in de literatuur onthaald. 

In een voorafgaande beslissing van 21 december 2015 diende VLABEL zich uit te spreken over een gelijkaardige vraag waarbij een levensverzekeringscontract door de verzekeringnemer zou worden geschonken aan het kind van de verzekeringnemer, maar waarbij de begunstigde van het verzekeringsproduct aanvankelijk niet het kind, maar de echtgenoot van de verzekeringnemer is. Indien in voorliggend geval de schenker-verzekeringnemer komt te overlijden en de verzekeringsprestatie alsdan tot uitkering komt, is volgens VLABEL géén erfbelasting verschuldigd op grond van oud art. 8 W.Succ. indien de schenker-verzekeringnemer het verzekeringscontract eerst heeft geschonken aan zijn kind (AAB à CAB) en het kind vervolgens zichzelf als begunstigde van het contract heeft benoemd (CAB à CAC). In voorkomend geval neemt VLABEL aan dat er een (niet-belastbaar) beding ten behoeve van zichzelf voorligt en men buiten de toepassing van oud art. 8 W.Succ. valt. Indien daarentegen de schenker-verzekeringnemer eerst de begunstigde zou wijzigen (van zijn echtgenoot naar zijn kind) (AAB à AAC) en vervolgens tot schenking van het verzekeringscontract aan het kind zou overgaan waarna het kind zijn begunstiging voor zoveel als nodig bevestigt (AAC à CAC) zou oud art. 8 W.Succ. wel toepassing vinden. In dat geval ligt volgens VLABEL nog steeds een belastbaar derdenbeding voor. De herbevestiging van de begunstiging door de begiftigde C is dan niet tegenstelbaar aan VLABEL.  

Verder oordeelde VLABEL in diezelfde beslissing van 21 december 2015:

  • dat in geval van een schenking voor Nederlandse notaris van een levensverzekeringscontract AAB aan een kind C (en indien de schenking niet vrijwillig ter registratie wordt aangeboden):
    • bij overlijden van de schenker-verzekeringnemer binnen de drie jaar na de schenking, op de uitkering van de polis erfbelasting is verschuldigd op grond van oud art. 7 W.Succ. en wel op de totale waarde van het verzekeringscontract, ook al werden de premies betaald met gemeenschappelijke gelden;
    • bij overlijden van de echtgenoot van de schenker-verzekeringnemer binnen de drie jaar na de schenking, er geen erfbelasting op grond van oud art. 7 W.Succ. is verschuldigd;
  • dat in geval van een dergelijke schenking voor Belgische notaris of indien de schenking voor Nederlandse notaris vrijwillig ter registratie zou zijn aangeboden:
    • bij overlijden van de schenker-verzekeringnemer binnen de drie jaar na de schenking, geen erfbelasting is verschuldigd op grond van oud art. 7 W.Succ. op de toename van het overlijdenskapitaal ingevolge een hogere waarde van de beleggingsfondsen of ingevolge de toekenning van de gewaarborgde interestvoet (wat niet gelijkstaat met een toename door storting van bijkomende premies);
    • dat de betaling van de schenkbelasting niets wijzigt aan de al dan niet opeisbaarheid van de erfbelasting op grond van oud art. 8 W.Succ.

Verder en volledigheidshalve geven wij u nog mee dat in een ander standpunt van zelfde datum, 21 december 2015, eveneens m.b.t. levensverzekeringen:

  • VLABEL bevestigde dat zij het federale standpunt van 22 februari 2007 met betrekking tot het afsluiten van een levensverzekering om een conventionele terugkeer van een schenking te waarborgen, handhaaft;
  • VLABEL zich uitspreekt over de gevolgen op het vlak van de erfbelasting in geval van een schenking van een som geld met een clausule van zaakvervanging en hetzij een clausule van conventionele terugkeer, hetzij een clausule van fideïcommis de residuo, waarna de begiftigde met de hem ontvangen gelden spontaan een levensverzekering afsluit.

III. Het schenken van familiale bedrijfsactiva: standpunt Vlabel van 25 januari 2016

In een voorafgaande beslissing van 25 januari 2016 sprak VLABEL zich uit over de problematiek van de schenking van familiale bedrijfsactiva (i.c. landbouwgrond en landbouwgebouwen) aan een van de kinderen (i.c. de zoon) (met toepassing van de vrijstelling van schenkbelasting) onder de (aan het begiftigde kind) opgelegde last om een som geld te betalen aan het andere kind (i.c. de dochter).

VLABEL bevestigde vooreerst dat zolang de waarde van de lasten lager is dan die van de geschonken goederen, er geen aanleiding is om de voorgenomen schenking te herkwalificeren tot een rechtshandeling onder bezwarende titel. De overdracht kon dus plaatsvinden met vrijstelling van schenkbelasting zo aan de voorwaarden daartoe was voldaan). 

Verder stelde VLABEL dat de last die is opgelegd aan de zoon ten voordele van de zus, afgetrokken moet worden van wat de zoon verkrijgt en dat de zus wordt belast volgens de normale tarieven van de schenkbelasting. Vermits i.c. evenwel een overdracht van landeigendommen voorlag, werd de last (de bedongen geldsom) in hoofde van de zus belast aan de tarieven van de onroerende schenkbelasting. Een en ander is dus indachtig te houden bij het uitwerken van een familiale planning. 

IV. De inbreng van een goed in het gemeenschappelijk vermogen door één echtgenoot onmiddellijk of binnen een korte tijdsspanne gevolgd door de schenking van dit goed door beide echtgenoten: voorafgaande beslissingen Vlabel van 21 december 2015  

Het is geweten dat de inbreng door een van de echtgenoten van een eigen goed in het gemeenschappelijk vermogen gevolgd door een schenking van dit goed door beide echtgenoten samen, fiscaal wordt geviseerd als zijnde fiscaal misbruik. Men gaat er van uit dat de voorafgaande inbreng van het goed enkel tot doel heeft om de progressiviteit van de schenkbelasting bij de latere schenking te doorbreken (doordat beide ouders alsdan schenken en deze schenkingen fiscaal afzonderlijk worden belast, telkens vanaf de laagste schijf). Er wordt dan belast alsof de voorafgaande inbreng niet heeft plaatsgevonden. 

Om niet door de antimisbruikbepaling te worden gevat, dient men aan te tonen dat de inbreng in het gemeenschappelijk vermogen voorafgaand aan de schenking verantwoord is door andere motieven dan het ontwijken van hogere schenkbelasting. 

In twee voorafgaande beslissingen van 21 december 2015 sprak VLABEL zich uit over het al dan niet voorliggen van deze 'andere motieven'

In de eerste beslissing werd in 1964 via een akte afstand-deling door een van de echtgenoten een eigen stuk grond verworven waarop vervolgens werd gebouwd (het gebouw dat ingevolge natrekking eveneens eigen was aan de echtgenoot). Zowel de grond als de oprichting van het gebouw werden gefinancierd door de huwgemeenschap. In 2015 wensen de echtgenoten het onroerend goed in te brengen in de huwgemeenschap om het vervolgens door te schenken aan de kinderen. De voorafgaande inbreng wordt verantwoord door de financiering door de huwgemeenschap van de overname van de grond en het oprichten van de constructie. VLABEL aanvaardt 'de andere dan fiscale motieven' niet, omdat partijen niets belette om reeds naar aanleiding van het aangaan door de huwgemeenschap van de lening in 1964 over te gaan tot de inbreng van de bouwgrond. Doordat men het onroerend goed wil inbrengen kort vóór de geplande schenking, acht VLABEL 'de andere dan fiscale motieven' niet bewezen. 

In de tweede beslissing lag de chronologie van de feiten net iets anders. Daar was de ene echtgenoot eveneens eigenaar van een onroerend goed maar werd dit reeds in 1981 in het gemeenschappelijk vermogen ingebracht. Pas in 2015 wilde men overgaan tot een schenking aan de dochter. Gelet op tijdsverloop tussen de inbreng en de schenking en het feit dat de dochter ten tijde van de inbreng zelfs nog niet was geboren, aanvaardt VLABEL dat er i.c. geen sprake is van eenheid van opzet en dat de inbreng niet was ingegeven om louter de progressieve schenkbelasting te ontwijken. De antimisbruikbepaling vond in dit geval (logischerwijs en zeer terecht) geen toepassing. 

Uit wat voorgaat, lijkt VLABEL zich in haar beslissingen voornamelijk te hebben laten inspireren door het tijdsverloop dat zich tussen de verschillende rechtshandelingen heeft voorgedaan of voordoet. Nochtans zijn er ook andere en allerminst onbelangrijke civiele motieven waarom een voorafgaande inbreng van een eigen goed in het gemeenschappelijk vermogen zijn nut kan hebben en zelfs vaak aangewezen is. In dat opzicht is de eerste beslissing van VLABEL te betreuren. Het toont in ieder geval aan dat het formuleren van de niet-fiscale motieven uitermate belangrijk is en met de grootse zorg en nauwkeurigheid moet gebeuren. 

V. Ook het schenken van vastgoed in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt goedkoper  

Met ingang van 1 januari 2016 is ook het Brussels Hoofdstedelijk Gewest overgegaan tot een algemene verlaging van de op de schenking van vastgoed verschuldigde schenkingsrechten. Voortaan zijn er, net zoals in het Vlaamse Gewest, nog slechts twee tariefcategorieën: 

Tarief in rechte lijn, tussen echtgenoten en samenwonenden:
  • van 0,01 EUR - 150.000 EUR  3 %
  • van 150.000,01 EUR - 250.000 EUR 9 %
  • van 250.000,01 EUR - 450.000 EUR 18 %
  • boven de 450.000 27 %
Tarief tussen alle andere personen:
  • van 0,01 EUR - 150.000 EUR  10 %
  • van 150.000,01 EUR - 250.000 EUR 20 %
  • van 250.000,01 EUR - 450.000 EUR 30 %
  • boven de 450.000 40 %

Gelijktijdig werd de oude gunstregeling, die bestond voor schenkingen van woningen in rechte lijn, tussen echtgenoten en samenwonenden, alsook het progressievoorbehoud bij schenkingen onder levenden die werden gedaan minder dan drie jaar voor het overlijden van de schenker, opgeheven.  

VI. Varia fiscale actualia 

Tot slot willen wij u de volgende fiscale weetjes niet onthouden:
  • Vanaf 1 januari 2016 is ook de levering van digitale kranten en tijdschriften onderworpen aan 21% btw, terwijl de levering van dagbladen en tijdschriften in hard copy onderworpen blijft aan het verlaagde btw-tarief van 6% of het btw-nultarief (beslissing nr. E.T. 128.250 van 30 november 2015);
  • Op 12 februari 2016 wordt de ouderdomsvereiste, om in aanmerking te komen voor het verlaagd btw-tarief van 6% op renovatiewerken, verhoogd van 5 naar 10 jaar (KB van 26 januari 2016, BS 2 februari 2016);
  • Op 29 januari 2015 stelde de Bijzondere Belastinginspectie (BBI) een interne instructie op "betreffende de taxatie van niet tijdig aangegeven inkomsten". De instructie geeft aan hoe de BBI belastingplichtigen moet taxeren indien zij zich spontaan melden met hun zwarte inkomsten of vermogens (soort van niet-officiële fiscale regularisatie). Daar enkele tegenstanders van oordeel waren dat de instructie zich niet beperkte tot de toepassing van de wet, heeft de oppositie op 2 april 2015 een verzoekschrift tot nietigverklaring ervan ingediend bij de Raad van State. Die oppositie krijgt nu gelijk van de auditeur bij de Raad van State, die dezelfde mening is toegedaan (verslag auditeur van 24 december 2015). Het is dus afwachten of de Raad van State dit advies zal volgen;
  • Over de nieuwe regeling inzake fiscale regularisaties, die initieel van kracht zou worden vanaf 1 januari 2016, werd op heden nog niets gepubliceerd;
  • In een arrest van 17 december 2015 stelt het Europees Hof van Justitie dat bewijs dat verkregen of gebruikt is met schending van het recht op privacy of een ander grondrecht (zoals het recht op verdediging) niet mag dienen voor een btw-naheffing (HvJ 17 december 2015, C-419/14);
  • Op 15 januari 2015 hebben leden van de NV-A een wetsvoorstel ingediend om het verzuim van bekendmaking van de jaarrekening door vennootschappen aan te pakken. Immers heeft het wetsvoorstel tot doel om de procedure tot gerechtelijke ontbinding van slapende vennootschappen, vzw's en stichtingen aan te scherpen;
  • Op 27 januari 2016 hebben leden van de PVDA een wetsvoorstel ingediend tot afschaffing van de notionele interestaftrek. De rechtvaardiging van een dergelijke afschaffing is volgens hen terug te vinden in de hoge kostprijs voor de overheidsfinanciën en het feit dat deze maatregel bijzonder weinig resultaten zou opleveren (Parlementair Document 54K1613).

Deze nieuwsbrief werd mede geschreven door mr. Charlotte Romaen.