19/01/2016

Camera's op de werkvloer: do's en don'ts

216_detail.jpg

Privacy op de werkvloer blijft een prangend vraagstuk.

Niet alleen wees collega Dirk Clarysse in een recent blogbericht op de gevolgen van een beslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in deze materie (http://www.b-right.be/nl/privacy-op-het-werk-473.htm), eerder deze week werd in de pers bericht dat werkgevers meer en meer trachten het gsm-gebruik van hun werknemers aan banden te leggen. En wél via het plaatsen van meer camera's op de werkvloer. Een ideale timing dus om de grenzen van dit cameragebruik even in herinnering te brengen.

Camerabewaking op de werkvloer wordt in eerste instantie beperkt door de Privacywet van 8 december 1992. Voor wat betreft de privésector hebben de sociale partners de algemene bepalingen van de Privacywet vertaald naar meer concrete regels door middel van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 68 van 16 juni 1998. Werkgevers in de publieke sector zijn enkel gebonden door de gelijkluidende, zij het minder verfijnde beperkingen die de Privacywet oplegt.

Volgens de letter van CAO nr. 68 wordt als camerabewaking beschouwd, elk bewakingssysteem met één of meer camera's dat ertoe strekt om bepaalde plaatsen of activiteiten op de arbeidsplaats te bewaken, met of zonder bewaring van de beeldgegevens.

En dergelijk cameragebruik op de werkvloer is slechts toegelaten in het kader van een beperkt aantal doeleinden:

  • veiligheid en de gezondheid;
  • bescherming van de goederen van de onderneming;
  • controle van het productieproces; Deze controle kan zowel betrekking hebben op de machines om de goede werking ervan na te gaan, als op werknemers ter evaluatie en verbetering van de werkorganisatie.
  • controle van de arbeid van de werknemer. In dit geval mogen beslissingen en beoordelingen door de werkgever evenwel niet enkel gebaseerd worden op gegevens die via deze camerabewaking verkregen zijn.

De doelstelling voor dewelke de camera's in de onderneming worden geplaatst, moet steeds duidelijk en uitdrukkelijk worden omschreven, en de camerabewaking mag niet worden aangewend op een wijze die onverenigbaar is met deze doelstelling. Dit impliceert dat het cameragebruik toereikend moet zijn in het licht van de doelstelling, ter zake dienend en niet overmatig.

Al naargelang het nagestreefde doeleinde is camerabewaking op de werkvloer voortdurend, waarbij de camera's permanent functioneren, of tijdelijk. Camerabewaking mag voortdurend of tijdelijk zijn indien één van volgende doeleinden wordt nagestreefd:

  • veiligheid en de gezondheid;
  • bescherming van de goederen van de onderneming;
  • controle van het productieproces, maar dan enkel indien deze controle enkel betrekking heeft op machines.

Evenwel, in geval één van volgende doeleinden wordt nagestreefd, mag camerabewaking slechts tijdelijk zijn:

  • controle van het productieproces indien die controle betrekking heeft op werknemers;
  • controle van de arbeid van de werknemer.

Tot slot schrijft CAO nr. 68 een specifieke procedure voor die moet worden gevolgd. Zo moet de werkgever vooraf de ondernemingsraad inlichten over alle aspecten van de camerabewaking. Indien er geen ondernemingsraad is, verschaft de werkgever deze informatie aan het comité voor preventie en bescherming op het werk. Indien er geen dergelijk comité is, zal de informatie aan de vakbondsafvaardiging gegeven worden. Is er ook geen vakbondsafvaardiging zal het de werknemer zelf zijn die de informatie moet krijgen.

De informatie die de werkgever dient te geven, heeft minstens betrekking op volgende aspecten van de camerabewaking:

  • de nagestreefde doelstelling;
  • het feit of de beelden al dan niet bewaard worden;
  • het aantal camera‘s en waar deze zullen worden geplaatst;
  • de betrokken periode(s) dat de camera‘s in werking zullen zijn.

Als uit de informatie blijkt dat de camerabewaking implicaties voor de persoonlijke levenssfeer heeft van één of meerdere werknemers voert de ondernemingsraad, het comité of de vakbondsafvaardiging een onderzoek naar de maatregelen die dienen genomen te worden om de inmenging in de persoonlijke levenssfeer tot een minimum te beperken.

De ondernemingsraad of het comité moet bovendien regelmatig de gehanteerde bewakingssystemen evalueren en voorstellen doen met het oog op herziening op basis van technologische ontwikkelingen.

Tegelijk moet de werkgever, dit op grond van de Privacywetgeving, een aangifte van deze camerabewaking op de werkvloer verrichten, wat in de praktijk via het e-loket van de Privacycommissie gebeurt.

Tot slot, op grond van artikel 10 van de Privacywet heeft de werknemer steeds een recht van toegang tot de beelden.

Steeds meer bedrijven plaatsen camera's op de werkvloer: in 2010 waren in 965 bedrijven camera's aanwezig; in 2015 is dat cijfer toegenomen tot 1275. En deze camera's worden lang niet alleen geplaatst om diefstallen te voorkomen, maar meer en meer om smartphonegebruik bij personeel aan banden te leggen. Een opmerkelijke evolutie, waarbij zonder twijfel nog vaak met privacy zal worden geschermd.