10/09/2014

'Class Action' naar Belgisch recht

In Amerika is het al sinds de jaren zestig van vorige eeuw mogelijk dat schadelijders van eenzelfde oorzaak hun krachten bundelen om middels één gezamelijke vordering schadevergoeding te bekomen (de zogenaamde "class action"). Ontegensprekelijk ingegeven door de processen omtrent bijvoorbeeld het faillissement van Lernout & Hauspie en nog recenter de teloorgang van Fortis, maakt nu ook de Belgische wetgever dit mogelijk. Bij wet van 28 maart 2014 is in het Wetboek van Economisch Recht een nieuwe titel "rechtsvordering tot collectief herstel" ingevoegd.

Beperkt toepassingsgebied

Vernieuwend naar Belgisch Recht en een afwijking van de aloude principes inzake belang en hoedanigheid in de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek, maar anderzijds een toch eerder beperkt toepassingsgebied. Minstens in een eerste fase zal de Belgische variant van de "class action" daarom waarschijnlijk niet het belang kennen dat ze in Amerika de voorbije decennia heeft gekend.

Een vordering tot collectief herstel kan bijvoorbeeld enkel worden ingesteld door (een groep van) consumenten (B2B), niet door een groep van handelaars of ondernemingen (B2B). Nochtans kunnen ook handelaars of ondernemingen gezamenlijk het slachtoffer zijn van een malafide collega.

Bovendien kunnen consumenten niet rechtstreeks optreden maar moet de vordering worden ingesteld door een zogenaamde "groepsvertegenwoordiger". Veelal zal dit een erkende consumentenvereniging zijn zoals test-Aankoop, maar het kan ook een andere vereniging zijn die eveneens is erkend en minstens 3 jaar rechtspersoonlijkheid bezit en wiens maatschappelijk doel rechtstreeks verband houdt met de (collectieve) schade waarover het gaat. In bepaalde gevallen zal ook de nog op te richten Consumentenombudsdienst (vermoedelijk actief vanaf 1 januari 2015) de rol van groepsvertegenwoordiger kunnen vervullen.

Niet alleen het personele toepassingsgebied is beperkt, dat geldt ook voor het materiële toepassingsgebied. Enkel schade die is  ontstaan door een inbreuk op een contractuele verplichting van een onderneming, of door een inbreuk op een specifieke wet of Europese verordening die de bescherming van de consument beoogt, komt in aanmerking om een vordering tot collectief herstel in te stellen. De wetten en verordeningen tot bescherming van de consument die onder het toepassingsgebied vallen zijn limitatief opgesomd en hebben betrekking op bijvoorbeeld de bescherming van de vrije mededinging, (on)eerlijke marktpraktijken en consumentenbescherming, de regeling van de energiemarkten, woningbouw (wet Breyne), de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, edm.

Verder kan een rechtsvordering tot collectief herstel maar ingesteld worden voor de hoven en rechtbanken te Brussel. Ook dat zal door veel consumenten waarschijnlijk als een beperking worden beschouwd. Anderzijds zijn de meeste consumentenverenigingen in Brussel gevestigd en zal dat vermoedelijk ook wel het geval zijn voor de Consumentenombudsdienst. Bovendien moet de gemeenschappelijke oorzaak van de schade hebben plaatsgevonden na de inwerkingtreding van de wet (1 september 2014). Voor schadegevallen die hun oorzaak vinden in oudere feiten of gebeurtenissen kan dus geen collectieve vordering worden gesteld, ook al zijn er verschillende gedupeerden en ook al is nog geen enkele van hen individueel een procedure begonnen.

Verplichte onderhandelingsfase

Binnen de twee maanden na de neerlegging van een verzoekschrift tot collectief herstel beslist de rechtbank over de ontvankelijkheid van de vordering op personeel en materieel vlak. De rechtbank zal in die fase ook moeten oordelen of een beroep op de rechtsvordering tot collectief herstel hem meer doelmatig voorkomt dan een rechtsvordering van gemeen recht (waarbij elke gedupeerde consument individueel dient te ageren). Ook dat is in art. XVII.36 immers als een ontvankelijkheidsvoorwaarde vooropgesteld.  

Vervolgens worden partijen uitgenodigd om met elkaar in overleg te gaan. In deze verplichte onderhandelingsfase -die tussen de drie en zes maanden kan duren, en die op gezamenlijk verzoek van partijen éénmalig kan worden verlengd met zes maanden- moeten de groepsvertegenwoordiger en de betrokken onderneming nagaan of een minnelijk akkoord kan worden bereikt om dat desgevallend dan aan de rechtbank ter homologatie voor te leggen.  Er is uitdrukkelijk in de wet bepaald dat de homologatie van dergelijk akkoord geen erkenning inhoudt van enige aansprakelijkheid of fout in hoofde van de verweerder. Het akkoord is dan bindend voor alle leden van de groep.

Komen partijen niet tot een vergelijk, dan zal de Rechtbank zich alsnog ten gronde moeten uitspreken en zal zij finaal ook een "schadeafwikkelaar" aanstellen. Ook in geval van een minnelijk akkoord wordt trouwens dergelijke schadeafwikkelaar aangesteld. Hij krijgt de opdracht om een definitieve lijst op te maken van de leden van de groep die finaal herstel wensen te bekomen (groepsleden die niet aan de voorgeschreven voorwaarden voldoen kunnen immers in die fase nog steeds uitgesloten worden), en vervolgens toe te zien op de uitvoering van het gehomologeerde minnelijke akkoord dan wel de rechtelijke beslissing.

Risico voor ondernemingen

Moeten ondernemingen nu bevreesd zijn? Minstens moeten zij zich ervan bewust zijn dat de consument die vroeger misschien niet direct een vordering instelde, omdat de schade eerder beperkt was en de kosten van een procedure buiten verhouding zouden zijn, het nu mogelijks niet meer zo snel zal opgeven. Zeker in de mate er meerdere gedupeerden zijn als gevolg van een zelfde oorzaak (vb. misleidende reclame, productaansprakelijkheid, gedupeerde reizigers van een reisorganisator, edm.) zullen deze nu makkelijker via een consumentenvereniging hun krachten kunnen bundelen om van de vele kleine schadeclaims één grote claim te maken.