Vierdelige opleidingscyclus actualia vermogensrecht (opleiding 4)
11/12/2018, 17u30

De hervorming van de erfbelasting. Wijzigingen na de hervorming van het erfrecht en evaluatie op vlak van successieplanning. Een analyse.

Koen Blomme, Verzekeringen Blomme

Duidelijke en snelle communicatie.
Pro-actieve benadering van dossiers.
Maw resultaatgericht...

10/01/2011

Cliënteelvergoeding voor een handelsagent die ernstig in gebreke is gebleven?

Wanneer een handelsagentuurovereenkomst door de principaal wordt beëindigd op grond van ernstige tekortkomingen door de handelsagent, dan verliest de agent in principe (wanneer de principaal de bij wet voorgeschreven formaliteiten heeft vervuld) zijn recht op een opzeggingstermijn of een vervangende vergoeding. Evenmin is dergelijke handelsagent nog gerechtigd op een uitwinnings- of cliënteelvergoeding. Maar wat indien de handelsagentuur niet specifiek omwille van ernstige tekortkomingen door de handelsagent werd beëindigd, maar de ernstige tekortkomingen pas na de beëindiging, of zelfs na het effectieve einde van de samenwerking (na de opzegtermijn) worden ontdekt? Is deze agent dan wel nog gerechtigd op een vergoeding voor de aanbreng van cliënteel?

Het Europese Hof van Justitie sprak zich recent daarover uit. Dirk Clarysse analyseerde de uitspraak en licht één en ander toe.

De handelsagent in de Europese Unie

Een handelsagent is volgens een Europese definitie hij die als zelfstandig tussenpersoon en op permanente basis, belast is met het bemiddelen en tot stand brengen, alsook het eventueel afsluiten van de verkoop of aankoop van goederen voor een ander, en voor rekening en in naam van die ander (de principaal).

Hoewel handelsagentuurovereenkomsten veelal een internationaal karakter hebben, met partijen gevestigd  in verschillende landen, was de vaststelling jaren terug, dat er dikwijls zeer grote verschillen bestonden tussen elk van de nationale systemen. Dit kon de concurrentieverhoudingen en de uitoefening van het beroep beïnvloeden.

Precies om dit zoveel als mogelijk te beperken, heeft Europa er in de eerst helft van de jaren '80 toe gestreefd de grootste verschillen weg te werken. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in de Agentuurrichtlijn 86/653/EEG tot coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagentuur (18 december 1986).

Lidstaten dienden in uitvoering van deze richtlijn hun nationale wetgeving inzake handelsagentuur "op Europese leest" te schoeien. Dit betekent niet dat er geen verschillen meer (kunnen) zijn. Europa heeft enkel de principes en de grote lijnen uitgezet. De concrete invulling werd aan de lidstaten zelf gelaten. Wel moet, ingeval van onduidelijkheid, nationale wetgeving geïnterpreteerd worden conform de Europese richtlijn.

België was in 1995 de laatste Europese lidstaat die de voormelde richtlijn in haar nationale wetgeving heeft omgezet. Dit gebeurde met de Wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst. Met wet van 4 mei 1999 werd vervolgens het toepassingsgebied uitgebreid naar agent in de krediet-, verzekerings- en beurssector.

Belgische Wet op handelsagentuurovereenkomsten

Volgens artikel 20 van de Belgische Handelsagentuurwet heeft een handelsagent, bij beëindiging van de overeenkomst, recht op een uitwinnings- of cliënteelvergoeding wanneer hij de principaal nieuwe zaken heeft aangebracht of wanneer hij de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid, voor zover dit de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren. Dergelijke cliënteelvergoeding kan tot maximaal 12 maanden vergoeding bedragen, berekend op basis van het gemiddelde van de 5 voorafgaande jaren, of op basis van de gemiddelde vergoeding van de voorafgaande jaren indien de overeenkomst minder dan 5 jaar heeft geduurd.

In ditzelfde artikel 20 is evenwel bepaald dat zelfs wanneer aan de voormelde voorwaarden zou zijn voldaan, geen uitwinningsvergoeding verschuldigd is indien de principaal de overeenkomst heeft beëindigd vanwege een aan de handelsagent te wijten ernstige tekortkoming. Als een ernstige tekortkoming wordt beschouwd, een tekortkoming die dusdanig ernstig is dat de contractuele relaties onmogelijk kunnen worden verder gezet, zelfs niet voor de duur van een opzeggingstermijn.

Met andere woorden, de handelsagent die door zijn principaal op deze basis aan de deur wordt gezet, en waarbij de principaal de voorgeschreven termijnen en vormen in acht heeft genomen, verliest niet alleen het recht op een opzeggingstermijn of een vervangende opzegvergoeding, maar verliest ook zijn recht op vergoeding voor cliënteel dat hij mogelijks heeft aangebracht of voor de omzetstijging die hij met bestaand cliënteel heeft weten te realiseren. Zelfs wanneer de principaal daar verder voordeel uit kan halen, zal hij daarvoor aan de handelsagent niets verschuldigd zijn.

Arrest van 28 oktober 2010 van het Europese Hof van Justitie

Precies dit laatste moet nu echter voor een stuk genuanceerd worden. Het Europese Hof van Justitie heeft immers recent geoordeeld dat wanneer de ernstige tekortkoming niet de rechtstreekse oorzaak is geweest van de beëindiging, wanneer er met andere woorden geen causaal verband bestaat tussen de ernstige tekortkoming in hoofde van de handelsagent en de beslissing van de principaal om aan de agentuurovereenkomst een einde te stellen, dit niet automatisch kan betekenen dat aan de handelsagent het recht op een cliënteelvergoeding wordt ontzegd.

Voor alle duidelijkheid: het Hof oordeelde in deze zaak niet naar aanleiding van de Belgische wetgeving inzake handelsagentuur (het ging om een geschil tussen twee Duitse vennootschappen, die strikt gezien zelfs niet in een agentuurrelatie stonden), maar wel op grond van de corresponderende bepaling van de Agentuurrichtlijn zelf van 1986 (artikel 18) waar de Belgische en andere Europese wetgevingen op gebaseerd zijn.

Woordelijk luidt de beslissing van het Hof als volgt: "Art. 18(a) of Council Directive 86/653/EEC of 18 December 1986 on the coordination of the laws of the Member States relating to self-employed commercial agents precludes a self-employed commercial from being deprived of his goodwill indemnity where the principal establishes a default by that agent which occurred after the termination of the contract was given but before the contract expired and which was such as to justify immediate termination of the contract in question".

Specifiek gaat het dus over het geval waarin een handelsagent door zijn principaal wordt opgezegd met in achtneming van een opzeggingstermijn en als dusdanig niet op grond van ernstige tekortkomingen. Het is algemeen aanvaard dat gedurende de opzegtermijn, beide partijen verder loyaal hun verplichtingen dienen na te komen, en dat wanneer één van beide (vb. de opgezegde handelsagent) gedurende deze termijn ernstige tekortkomingen begaat, de overeenkomst alsnog onmiddellijk kan worden beëindigd, zonder dat dus de resterende opzegtermijn moet worden uitgedaan.

In het geval dat aan het Hof van Justitie werd voorgelegd, had de principaal de ernstige tekortkomingen van de handelsagent in opzeg evenwel pas ontdekt na afloop van de opzegtermijn, nadat de samenwerking dus reeds effectief beëindigd was. De vraag was dan ook of de handelsagent, alsnog zijn recht op een uitwinnings- of cliënteelvergoeding zou verliezen.

In eerste aanleg voor het Landsgericht (in Duistland) kreeg de handelsagent gelijk en werd hem de cliënteelvergoeding toegekend. De principaal ging evenwel in beroep bij het Oberlandesgericht. Het is daar dat werd beslist om daarover eerst een prejudiciële vraag te stellen aan het Europese Hof van Justitie.

Artikel 18(a) van de Agentuurrichtlijn stelt letterlijk dat de principaal geen cliënteelvergoeding verschuldigd is wanneer hij de overeenkomst heeft beëindigd vanwege ("because of") een ernstige tekortkoming. Op basis daarvan oordeelde het Hof aldus dat het ontzeggen aan de handelsagent van een cliënteelvergoeding, enkel gerechtvaardigd is indien de ernstige tekortkoming de rechtstreekse oorzaak is geweest van de beëindiging. In de situatie die aan het Hof was voorgelegd was dit niet het geval, zodat er volgens haar geen reden was om de handelsagent een cliënteelvergoeding te ontzeggen.

Principieel zou een handelsagent in dergelijke omstandigheden aldus zijn recht op een cliënteelvergoeding behouden. Het Hof geeft en neemt evenwel in één tijd. In haar observaties voorafgaand aan het dispositief, verwijst zij immers naar artikel 17(2) van de Agentuurrichtlijn, volgens welk een opgezegde handelsagent recht heeft op een cliënteelvergoeding indien aan de reeds eerder vermelde voorwaarden rond aanbreng en/of omzetstijging is voldaan, maar waarin ook letterlijk staat dat de uitbetaling, gelet op alle omstandigheden, billijk moet zijn. Op grond van een billijkheidstoetsing zou volgens het Hof, de handelsagent dus toch nog zijn recht op een cliënteelvergoeding kunnen verliezen. 

Draagwijdte

Zoals gezegd, bevat de Belgische wetgeving een gelijkaardige regeling inzake het recht op cliënteelvergoeding, en het verlies daarvan ingeval van een (correcte) beëindiging door ernstige tekortkomingen in hoofde van de handelsagent. In de Belgische reglementering is de billijkheid evenwel geen criterium voor de al dan niet toekenning van een cliënteelvergoeding. Hooguit, en dan bovendien nog niet eens op basis van de bewoordingen van de wet zelf maar op basis van de Memorie van Toelichting, speelt de billijkheid een rol bij de begroting van het bedrag van de cliënteelvergoeding, wanneer het recht op vergoeding reeds principieel is toegekend.

Met andere woorden, indien een rechter thans over een gelijkaardige situatie zou moeten oordelen op grond van het Belgische recht, dan zou hij ingevolge dit recente arrest, niet anders kunnen dan principieel aan de handelsagent een recht op uitwinningsvergoeding toe te kennen. Nationale wetgeving moet immers richtlijn conform worden uitgelegd, en zoals het Hof van Justitie heeft geoordeeld, behoudt een handelsagent zijn recht op uitwinningsvergoeding wanneer ernstige tekortkomingen die hij heeft gedaan, niet als dusdanig de reden zijn geweest voor de beëindiging van de overeenkomst. Hooguit zou hij één en ander in rekening kunnen brengen bij de precieze begroting van de vergoeding.

Dit terwijl het blijkbaar toch niet helemaal de bedoeling is geweest van het Europese Hof van Justitie om deze handelsagent zonder meer in zijn rechten te laten. Met haar verwijzing naar het billijkheidscriterium in artikel 17(2) van de Agentuurrichtlijn heeft zij immers precies aangegeven dat, hoewel volgens de bepalingen van artikel 18(a) de handelsagent zijn recht op cliënteelvergoeding behoudt, de onbillijkheid van de situatie dit toch nog in de weg kan staan.

Op dat vlak heeft een rechter die op grond van de Belgische wetgeving moet oordelen evenwel geen mogelijkheden. Hij moet de Belgische reglementering weliswaar interpreteren en toepassen conform de Europese richtlijn, en hij moet daarbij rekening houden met deze uitspraak van het Hof van Justitie; hij kan echter niet zover gaan dat hij daardoor tegen de Belgische wet zou oordelen, door een voorwaarde toe te voegen die de wet zelf niet stelt (billijkheid als voorwaarden voor de principiële toekenning van een recht op uitwinningsvergoeding). In eerste instantie zal de wetgever dus zelf moeten ingrijpen om de wet aan te passen.

Nu, de feitelijke omstandigheden van de zaak die aan de grondslag ligt van dit arrest van het Hof van Justitie zijn natuurlijk wel zeer specifiek. Ze zullen zeker niet dagelijks voorkomen. De situatie dat een handelsagent wordt opgezegd en nog een termijn moet presteren, en dat hij in die opzeg een ernstige tekortkoming begaat, zal nog wel voorkomen. Maar de situatie waarbij de principaal dit pas na afloop van de opzegtermijn, en dus na het effectieve einde van de samenwerking ontdekt, is al minder voor de hand liggend. Meestal zal de principaal dit vroeger ontdekken en op dat ogenblik, lopende de opzeg, alsnog de onmiddellijke beëindiging inroepen.

Beperkt toepassingsgebied van deze rechtspraak

Voor alle duidelijkheid, in dit laatste geval blijft de regeling zoals in de wet is bepaald (tot nader order) onverminderd van toepassing. Inderdaad kan uit het voormelde arrest van het Hof van Justitie niet worden afgeleid dat wanneer de handelsagent een "eerste" keer is opgezegd met een termijn, en lopende deze opzegtermijn een "tweede" keer, onmiddellijk want op grond van ernstige tekortkomingen, hij ook dan zijn recht op een cliënteelvergoeding behoudt, omdat de ernstige tekortkomingen niet de oorzaak waren van de initiële beslissing van de principaal om de samenwerking te beëindigen. 

In dit geval bestaat er immers wel degelijk een causaal verband tussen enerzijds de ernstige tekortkomingen in hoofde van de handelsagent, en anderzijds de beslissing tot onmiddellijke beëindiging (weliswaar lopende de opzeg) door de principaal, terwijl het Hof van Justitie, zoals gezegd, enkel uitspraak heeft gedaan over het geval waarin de ernstige tekortkomingen pas na afloop van elke vorm van samenwerking werden ontdekt, en zij als dusdanig dus nooit de reden van beëindiging zijn geweest.

De redenering die het Hof van Justitie heeft gemaakt kan wel doorgetrokken worden naar het geval waarin na de beëindiging van een agentuurrelatie op een manier die de handelsagent principieel recht geeft op een cliënteelvergoeding, de discussie daarover wordt gevoerd, en er plots in die context aan de handelsagent verwijten worden gemaakt en tekortkomingen ten laste worden gelegd. Als deze voorheen voor de principaal nooit een reden zijn geweest om de overeenkomst met de handelsagent te beëindigen, dan kunnen ze uiteraard maar moeilijk in het kader van een post factum discussie over cliënteelvergoeding, plots wel een reden worden om de voormalige handelsagent alsnog af te straffen