14/02/2018

Consignatie bij rechtstreekse vordering: mogelijkheid en verplichting vanaf 1 januari 2018

shutterstock_522553846.jpg

In de bouwsector is het een vaak voorkomend probleem: een onderaannemer heeft werken uitgevoerd op een bouwwerf maar zijn opdrachtgever, de hoofdaannemer, blijft in gebreke om de facturen van die onderaannemer correct te betalen. 

In een dergelijk geval beschikt de onderaannemer over een wettelijk verankerd instrument om alsnog betaling te verkrijgen: de alom gekende rechtstreekse vordering van de onderaannemer ten aanzien van de bouwheer.

Immers bepaalt 1798 Burgerlijk Wetboek dat, in een dergelijke situatie, de onderaannemer tegen de bouwheer over een rechtstreekse vordering beschikt ten belope van hetgeen die bouwheer verschuldigd is aan de hoofdaannemer op het ogenblik waarop de onderaannemer zijn vordering instelt. 

Jammer genoeg leidt de toepassing van de rechtstreekse vordering in de praktijk vaak tot problemen, meer bepaald in het geval de hoofdaannemer de aanspraken van de onderaannemer betwist. De bouwheer komt dan ongewild in een discussie tussen hoofd- en onderaannemer terecht en weet vaak niet of hij op die rechtstreekse vordering moet ingaan (en rechtstreeks aan de onderaannemer dient te betalen) dan wel verder dient te betalen aan de hoofdaannemer. 

Gelet op het risico om tweemaal te moeten betalen, zal een voorzichtige bouwheer dan ook veelal een afwachtende houding aannemen en (voorlopig althans) niet overgaan tot betaling van het betwiste bedrag. Niet aan de onderaannemer en evenmin aan de hoofdaannemer. 

Het gevolg hiervan is dat de bouwheer zich dan blootstelt aan verwijlinteresten en schadebedingen. Tegelijk dreigt de bouwheer in een impasse terecht te komen nu zowel de hoofdaannemer en de onderaannemer, wegens het uitblijven van betaling, de uitvoering van hun werken kunnen opschorten.

De wetgever is zich reeds lange tijd bewust van die praktische moeilijkheid en heeft bij wet van 11 juli 2013 een nieuw lid toegevoegd aan artikel 1798 Burgerlijk Wetboek. 

De tekst van die toevoeging vindt u hieronder: 

“In geval van betwisting tussen de onderaannemer en de aannemer, kan de bouwheer het bedrag storten in de Deposito- en Consignatiekas of op een geblokkeerde rekening op naam van de aannemer en onderaannemer bij een financiële instelling. De bouwheer is hiertoe verplicht indien hij hiertoe schriftelijk wordt verzocht door de hoofdaannemer of de onderaannemer.”

Het nieuwe lid geeft de bouwheer aldus de mogelijkheid om het betwiste bedrag te consigneren bij de Deposito- en Consignatiekas of het bedrag te storten bij een financiële instelling op een geblokkeerde rekening. Meer nog, indien de hoofdaannemer dan wel de onderaannemer schriftelijk om consignatie verzoekt, dan is de bouwheer hiertoe zelfs verplicht. 

Een dergelijke consignatie zal voor de bouwheer bevrijdend werken en als (voorwaardelijke) betaling gelden, zowel ten opzichte van de hoofdaannemer als ten opzichte van de onderaannemer. Verwijlinteresten en schadebedingen worden op die manier vermeden. Een welgekomen oplossing dus voor de problemen waarmee een bouwheer al te vaak te kampen krijgt.

Het nieuwe lid van artikel 1798 Burgerlijk Wetboek is, nadat de inwerkingtreding enkele keren werd uitgesteld, uiteindelijk in werking getreden op 1 januari 2018.

Wenst u meer informatie omtrent deze topic? Of hebt u concrete vragen hieromtrent? Aarzel dan niet om ons te contacteren. Wij helpen u graag verder.