13/11/2014

Contracteren per e-mail of sms?

Communicatie per brief en contracten op papier worden meer en meer verdrongen door e-mail, sms en andere vormen van elektronische communicatie. Ook in het handelsverkeer doen deze moderne vormen van communicatie gestaag hun intrede; niet alleen voor het (voorafgaandelijk) uitwisselen van informatie maar steeds vaker ook voor het effectief contracteren. Zijn dergelijke transacties evenwel geldig?  

Overeenkomsten ex solo consensu

Met uitzondering van enkele plechtige contracten waarvoor een geschrift een geldigheidsvereiste is (vb. testament, adoptie, edm.) komen overeenkomsten in ons rechtssysteem tot stand door de loutere wilsovereenstemming tussen partijen over de essentiële elementen van de transactie die zij voor ogen hebben (artikel 1583 Burgerlijk Wetboek). Een koop-verkoopovereenkomst komt bijvoorbeeld tot stand van zodra het voorwerp en de prijs vaststaan. Of die zaken nu op schrift zijn gesteld of niet, maakt voor de geldigheid van de overeenkomst geen verschil. Een geschift is louter een instrument... en een bewijsmiddel. Men is immers niets met een mondeling akkoord over de essentiële bestanddelen als men deze niet kan bewijzen.

Specifiek inzake transacties van onroerende goederen is wettelijk voorgeschreven dat zij wel schriftelijk en zelfs bij authentieke akte (notarieel) moeten gebeuren. Deze vereiste is evenwel in hoofdzaak bedoeld om de eigendomsoverdracht te kunnen overschrijven op het hypotheekkantoor en ze dus tegenstelbaar te maken aan derden. Enkel authentieke akten kunnen immers het voorwerp uitmaken van een overschrijving. Dat finaal een authentieke akte is vereist neemt evenwel niet weg dat tussen de betrokken partijen de overeenkomst al vroeger tot stand is gekomen, met name op het ogenblik dat zij een akkoord hebben bereikt over het voorwerp en de prijs (de zogenaamde voorlopige verkoopovereenkomst of compromis).

Precies dat onderscheid geeft in de praktijk soms aanleiding tot discussie. Aan eenvoorlopige verkoopovereenkomst is met uitzondering van eventuele opschortende voorwaarden (vb. het afleveren van een gunstig bodemattest, het verkrijgen van een financiering, edm.) immers niets voorlopig. Op straffe van schadevergoeding zitten koper en verkoper wel degelijk aan elkaar vast en zullen zij ertoe gehouden zijn hun transactie voor de notaris te laten verlijden (in principe binnen de 4 maanden na de datum van de voorlopige verkoopovereenkomst). Vaak vindt de discussie bovendien zijn oorsprong in een bewijsprobleem, zeker als er geen geschreven versie van de voorlopige verkoopovereenkomst bestaat.

Vrij vs. gereglementeerd bewijs

In handelszaken is het bewijs van overeenkomsten vrij. Overeenkomsten tussen handelaars die betrekking hebben op hun professionele activiteiten kunnen in principe dus met alle middelen van recht bewezen worden, zo ook door vermoedens, getuigen, een regelmatige gevoerde boekhouding, edm. Een factuur die niet (tijdig) is geprotesteerd kan zelfs al volstaan als bewijs van een overeenkomst. Vandaar dat handelaren die niet akkoord gaan met de inhoud van een factuur of een geschift er goed aan doen dat zonder verwijl en schriftelijk aan hun medecontractant te laten weten.  

In burgerlijke zaken is het bewijs van overeenkomsten daarentegen gereglementeerd. Centrale regel is dan dat overeenkomsten voor een waarde van meer dan € 375,00 in beginsel niet met getuigen of vermoedens bewezen kunnen worden, maar enkel door middel van een onderhandse of authentieke akte (artikel 1341 Burgerlijk Wetboek). Zeker bij de verkoop van onroerende goederen zal voormeld bedrag al snel overschreden worden en zal dus een geschrift nodig zijn om het bestaan van een voorlopige overeenkomst of compromis te bewijzen. Denk maar aan de situatie waarin de (kandidaat-)verkoper plots een beter bod krijgt, of de (kandidaat)-koper een interessanter onroerend goed vindt. U zal er als koper respectievelijk verkoper maar mee geconfronteerd worden en niet aan de hand van een geschift kunnen aantonen dat er eigenlijk al een (voorlopige) overeenkomst is.

Essentieel om van een geschrift in de zin van artikel 1341 Burgerlijk Wetboek te kunnen spreken is evenwel dat dit geschift ook de handtekeningen moet bevatten van de partijen die zich verbinden, minstens van die partij tegen wie men het geschift als bewijsmiddel wil inroepen (artikel 1322 Burgerlijk Wetboek). Meteen stelt zich dan uiteraard de vraag of een overeenkomst om rechtsgeldig en afdwingbaar te zijn, wel volledig in digitale of elektronische vorm tot stand kan komen? De aanvaarding van een aanbod per e-mail of sms bevat immers geen handtekening. Het antwoord is genuanceerd.

E-mail en sms als bewijsmiddel

In het gedigitaliseerde tijdperk waarin we vandaag leven hoeft een handtekening niet meer noodzakelijk met pen of balpen op een stuk papier worden gezet. De Wet Elektronische Handtekeningen en Certificatiediensten van 20 oktober 2000 heeft aan voormeld artikel 1322 immers toegevoegd dat aan de vereiste van een handtekening kan voldoen "een geheel van elektronische gegevens dat aan een bepaalde persoon kan worden toegerekend en het behoud van de integriteit van de akte aantoont". Art. XII.15 Wetboek Economisch recht (voorheen art. 16 van de Wet Elektronische Handel van 11 maart 2003) heeft dat bovendien verder geconcretiseerd. Zeker nu het zelfs mogelijk is om een e-mail van een geautoriseerde digitale handtekening te voorzien, voldoet een e-mail in principe aan de vereiste van een geschrift in de zin van artikel 1341 Burgerlijk Wetboek.

Waar de wetgever dus een algemene versoepeling van de bewijsregeling heeft ingevoerd, zijn overeenkomsten die betrekking hebben op onroerende goederen, huurrechten uitgezonderd, evenwel uitdrukkelijk van deze versoepeling uitgesloten. In art. XII.16.1° Wetboek Economisch recht (voorheen art. 17 Wet Elektronische Handel) is uitdrukkelijk bepaald dat de regeling van artikel XII.15 WER niet van toepassing is op "contracten die rechten doen ontstaan of overdragen ten aanzien van onroerende zaken, met uitzondering van huurrechten". De koop-verkoop van onroerende goederen zal aldus nog steeds niet bewezen kunnen worden aan de hand van louter elektronische, niet-ondertekende documenten.

Voor een sms-bericht bestaat er vooralsnog geen systeem dat als identificatie- en authenticatiemiddel kan worden gebruik. Een sms-bericht waarin een verkoper aan een (kandidaat-)koper laat weten hij zijn bod voor de woning die hij te koop heeft aanvaard zal dus op zich niet als bewijs van een overeenkomst kunnen gelden. Dat werd trouwens recent nog bevestigd door zowel het Hof van Beroep te Gent (arrest van 26 september 2013) als het Hof van Beroep te Antwerpen (arrest van 24 juni 2013).

Ook in een geschil over een leningsovereenkomst (arrest van 29 april 2013) beschouwde het Hof van Beroep te Antwerpen een sms evenwel niet als een volwaardig geschrift. Specifiek in die zaak werd deze beoordeling evenwel niet zozeer gemotiveerd in termen van het ontbreken van een handtekening die voldoet aan de vereisten van artikel 1322 Burgerlijk Wetboek, maar wel op grond van nog een ander artikel inzake bewijsrecht, m.n. artikel 1326 Burgerlijk Wetboek. Volgens artikel 1326 moeten eenzijdige overeenkomsten (ingeval van een lening is het enkel de ontlener die een verbintenis op zich neemt, m.n. om het ontleende bedrag terug te betalen) niet alleen voorzien zijn van een handtekening maar moet diegene die zich verbindt ook met de hand "goed voor" of "goedgekeurd voor" schrijven, met daaropvolgend het bedrag voluit in letters uitgedrukt. Evident kan een sms die handgeschrevenvermelding niet bevatten.     

E-mail en sms als begin van bewijs

Als e-mails of sms-berichten niet als een volwaardig bewijs worden beschouwd, dan kunnen ze mogelijks wel voldoen aan wat in artikel 1347 Burgerlijk Wetboek is omschreven als een als een "begin van bewijs". Als een begin van geschrift wordt beschouwd: "elke geschreven akte die uitgegaan is van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld, of van de persoon door hem vertegenwoordigd, en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt." Is dergelijk begin van bewijs door geschift voorhanden, dan kan dit met vermoedens of getuigen aangevuld worden om op deze manier alsnog tot een volledig bewijs te kunnen leiden.

Dat e-mails en sms-berichten geschriften zijn, zoveel is zeker. Zoals zonet aangetoond zullen deze voor sommige overeenkomsten bovendien ook effectief als een schriftelijk bewijs in de zin van artikel 1341 Burgerlijk Wetboek worden beschouwd. Maar een (voorlopige) overeenkomst of compromis omtrent de aankoop van een onroerend goed zal dus niet aan de hand van een e-mail of sms bewezen kunnen worden. Hooguit zal een e-mail of sms als een begin van bewijs kunnen worden beschouwd, als wordt aanvaard dat de e-mail of het sms-bericht afkomstig is van de eigenaar van de e-mailaccount of het gsm-nummer vanwaar ze zijn verstuurd. Immers is het via internet mogelijk om in te breken in andermans e-mailaccount of gsm-nummer en zonder medeweten van de eigenaar een berichten te versturen. Anderzijds kan uiteraard ook een klassieke (neer)gepende handtekening vervalst worden.

Waarschijnlijk is het vanuit deze laatste overweging dat het Hof van Beroep te Gent aanvaardt dat een sms-bericht wel degelijk een begin van geschift in de zin van artikel 1347 Burgerlijk Wetboek kan zijn (arrest 26 september 2013). In haar arresten van 29 april 2013 en 24 juni 2013 oordeelde het Hof van Beroep te Antwerpen evenwel net het omgekeerde. Nu volgens het Hof een sms-bericht niet met absolute zekerheid bewezen kan worden dat het is uitgegaan van degene tegen wie men het wil inroepen, werd het bericht in kwestie niet als begin van bewijs weerhouden. Het is volgens het Hof ook niet aan de partij die met een beweerd sms-bericht van hem wordt geconfronteerd om te bewijzen dat iemand anders dat in zijn naam heeft gestuurd. Het feit dat de mogelijkheid daartoe bestaat is voor het Hof van Beroep van Antwerpen voldoende om de authenticiteit in twijfel te trekken.    

Conclusie

Een e-mail en sms kunnen in bepaalde gevallen als een bewijs dan wel een begin van bewijs worden beschouwd, maar als het om echt belangrijke contracten gaat, zorg voor een geschreven én ondertekende overeenkomst.