08/01/2015

De gevolgen van de verschoonbaarheid worden níet van rechtswege uitgebreid tot de feitelijk samenwonende partner

Ingevolge artikel 82, tweede lid van de Faillissementswet wordt ook de echtgenoot en de voormalige echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde die zich voor de schuld van zijn echtgenoot of voor de schuld die zijn echtgenoot tijdens de duur van het huwelijk is aangegaan, persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld, automatisch van die verplichting bevrijd.

Zoals gekend, is de verschoonbaarheid een voor de gefailleerde ingevoerde gunstmaatregel die het hem mogelijk moet maken zijn activiteiten aangezuiverd te hervatten.

Naar aanleiding van een arrest van het Grondwettelijk Hof van 28 maart 2002 werd deze verschoonbaarheid aldus uitgebreid naar de echtgenoot van de gefailleerde (die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld) en ingevolge de wet van 18 juli 2008 ook naar de voormalige echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde.

Ingevolge een tweede arrest van het Grondwettelijk Hof van 18 november 2010 genieten ook de wettelijk samenwonende partners die persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schuld van hun gefailleerde samenwonende, reeds de regel van de verschoonbaarheid.

Met een prejudiciële vraag van 13 november 2013 heeft de Rechtbank van Koophandel te Dinant bij het Grondwettelijk Hof gepolst of deze regeling ook niet moet gelden voor de feitelijk samenwonende partners.

Indien de gunstmaatregel immers voor hen niet zou gelden, zouden zij anders worden behandeld dan de echtgenoot, de gewezen echtgenoot en de wettelijk samenwonende van de gefailleerde. Terwijl deze laatsten automatisch van de verschoonbaarheid genieten voor de schulden die zij voor hun gefailleerde partner persoonlijk zijn aangegaan, zou dit niet het geval zijn voor de feitelijk samenwonende partner.

Bij arrest van 25 september 2014 (gepubliceerd in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad op 7 januari 2015) heeft het Hof deze vraag evenwel ontkennend beantwoord:

"B.8. Het verschil in behandeling steunt op een objectief element, namelijk dat de juridische toestand van de partners verschilt naargelang de enen gehuwd zijn of wettelijk samenwonenden zijn, en de anderen feitelijk samenwonenden zijn. Hun juridische toestand verschilt zowel wat hun persoonlijke verplichtingen jegens elkaar als wat hun vermogensrechtelijke toestand betreft.
(...)
B.10. Ten aanzien van de echtgenoot of de wettelijk samenwonende die zich persoonlijk heeft verbonden ten gunste van zijn gefailleerde echtgenoot, kunnen de vervolgingen, door de schuldeisers van de gefailleerde, op zijn goederen, wegens de uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid, niet langer plaatsvinden. De feitelijk samenwonende die zich persoonlijk heeft verbonden ten gunste van zijn gefailleerde samenwonende, geniet daarentegen geenszins de gevolgen van de verschoonbaarheid en blijft ertoe gehouden, op zijn bestaande en toekomstige goederen, een schuld aan te zuiveren waarvoor zijn partner niet langer kan worden vervolgd.
B.11. Door de regel van de verschoonbaarheid niet uit te breiden tot de feitelijk samenwonenden die zich persoonlijk aansprakelijk hebben gesteld voor de schuld van hun gefailleerde samenwonende, heeft de wetgever een verschil in behandeling ingevoerd dat, ten aanzien van het in B.4 omschreven doel, niet zonder redelijke verantwoording is, aangezien de door feitelijk samenwonenden gevormde gemeenschap niet met dezelfde zekerheid wordt aangetoond als die welke ontstaat uit het huwelijk of uit de wettelijke samenwoning en aangezien daaruit niet dezelfde rechten en plichten voortvloeien.
Terwijl de echtgenoten en wettelijk samenwonenden wederzijdse rechten en plichten hebben die in het Burgerlijk Wetboek zijn omschreven, zijn de feitelijk samenwonenden immers niet dezelfde juridische verbintenissen jegens elkaar aangegaan; aangezien zij geen geïnstitutionaliseerde vorm van samenleven is, voert de feitelijke samenwoning juridisch gezien geen vermogensgemeenschap in en doet zij evenmin een vermogensrechtelijke solidariteit ontstaan, vermits de feitelijk samenwonenden elkaar geen hulp en bijstand verschuldigd zijn.
De feitelijk samenwonenden hebben overigens, alvorens die zekerheid te verlenen, over een beoordelingsvrijheid kunnen beschikken waarover de echtgenoot of wettelijk samenwonende wiens verbintenis een voorwaarde is voor de toekenning van een door zijn partner aangevraagde lening, niet in dezelfde mate beschikt.
B.12. In zoverre zij betrekking heeft op artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet, dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord."

Een en ander staat er voor het Grondwettelijk Hof evenwel niet aan in de weg dat de feitelijk samenwonende partner om de toepassing van artikel 80, derde lid van de Faillissementswet verzoekt. Op grond van deze bepaling kan de rechtbank elke natuurlijke persoon die zich persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, geheel of gedeeltelijk van deze verbintenis bevrijden indien deze van belangeloze aard is, hij zijn onvermogen niet frauduleus organiseerde en zijn verbintenis niet in verhouding staat met zijn inkomsten en vermogen.

De kosteloze aard van de borg houdt in dat er met de borgstelling geen enkel rechtstreeks of onrechtstreeks economisch voordeel wordt nagestreefd.

Het is volgens het Hof dus wel redelijk verantwoord dat de gevolgen van de verschoonbaarheid niet automatisch doorwerken naar de feitelijk samenwonende partner (zij genieten niet van rechtswege van de werking van de verschoonbaarheid), maar het zou daarentegen niet redelijk verantwoord zijn indien de feitelijk samenwonende partner ook verhinderd zou zijn van elke bevrijding van de kosteloze borg onder de hiervoor gestelde voorwaarden. De feitelijke beoordeling komt toe aan de verwijzende rechter.

08/01/2015

De gevolgen van de verschoonbaarheid worden níet van rechtswege uitgebreid tot de feitelijk samenwonende partner

Ingevolge artikel 82, tweede lid van de Faillissementswet wordt ook de echtgenoot en de voormalige echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde die zich voor de schuld van zijn echtgenoot of voor de schuld die zijn echtgenoot tijdens de duur van het huwelijk is aangegaan, persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld, automatisch van die verplichting bevrijd.

Zoals gekend, is de verschoonbaarheid een voor de gefailleerde ingevoerde gunstmaatregel die het hem mogelijk moet maken zijn activiteiten aangezuiverd te hervatten.

Naar aanleiding van een arrest van het Grondwettelijk Hof van 28 maart 2002 werd deze verschoonbaarheid aldus uitgebreid naar de echtgenoot van de gefailleerde (die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld) en ingevolge de wet van 18 juli 2008 ook naar de voormalige echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde.

Ingevolge een tweede arrest van het Grondwettelijk Hof van 18 november 2010 genieten ook de wettelijk samenwonende partners die persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schuld van hun gefailleerde samenwonende, reeds de regel van de verschoonbaarheid.

Met een prejudiciële vraag van 13 november 2013 heeft de Rechtbank van Koophandel te Dinant bij het Grondwettelijk Hof gepolst of deze regeling ook niet moet gelden voor de feitelijk samenwonende partners.

Indien de gunstmaatregel immers voor hen niet zou gelden, zouden zij anders worden behandeld dan de echtgenoot, de gewezen echtgenoot en de wettelijk samenwonende van de gefailleerde. Terwijl deze laatsten automatisch van de verschoonbaarheid genieten voor de schulden die zij voor hun gefailleerde partner persoonlijk zijn aangegaan, zou dit niet het geval zijn voor de feitelijk samenwonende partner.

Bij arrest van 25 september 2014 (gepubliceerd in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad op 7 januari 2015) heeft het Hof deze vraag evenwel ontkennend beantwoord:

"B.8. Het verschil in behandeling steunt op een objectief element, namelijk dat de juridische toestand van de partners verschilt naargelang de enen gehuwd zijn of wettelijk samenwonenden zijn, en de anderen feitelijk samenwonenden zijn. Hun juridische toestand verschilt zowel wat hun persoonlijke verplichtingen jegens elkaar als wat hun vermogensrechtelijke toestand betreft.
(...)
B.10. Ten aanzien van de echtgenoot of de wettelijk samenwonende die zich persoonlijk heeft verbonden ten gunste van zijn gefailleerde echtgenoot, kunnen de vervolgingen, door de schuldeisers van de gefailleerde, op zijn goederen, wegens de uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid, niet langer plaatsvinden. De feitelijk samenwonende die zich persoonlijk heeft verbonden ten gunste van zijn gefailleerde samenwonende, geniet daarentegen geenszins de gevolgen van de verschoonbaarheid en blijft ertoe gehouden, op zijn bestaande en toekomstige goederen, een schuld aan te zuiveren waarvoor zijn partner niet langer kan worden vervolgd.
B.11. Door de regel van de verschoonbaarheid niet uit te breiden tot de feitelijk samenwonenden die zich persoonlijk aansprakelijk hebben gesteld voor de schuld van hun gefailleerde samenwonende, heeft de wetgever een verschil in behandeling ingevoerd dat, ten aanzien van het in B.4 omschreven doel, niet zonder redelijke verantwoording is, aangezien de door feitelijk samenwonenden gevormde gemeenschap niet met dezelfde zekerheid wordt aangetoond als die welke ontstaat uit het huwelijk of uit de wettelijke samenwoning en aangezien daaruit niet dezelfde rechten en plichten voortvloeien.
Terwijl de echtgenoten en wettelijk samenwonenden wederzijdse rechten en plichten hebben die in het Burgerlijk Wetboek zijn omschreven, zijn de feitelijk samenwonenden immers niet dezelfde juridische verbintenissen jegens elkaar aangegaan; aangezien zij geen geïnstitutionaliseerde vorm van samenleven is, voert de feitelijke samenwoning juridisch gezien geen vermogensgemeenschap in en doet zij evenmin een vermogensrechtelijke solidariteit ontstaan, vermits de feitelijk samenwonenden elkaar geen hulp en bijstand verschuldigd zijn.
De feitelijk samenwonenden hebben overigens, alvorens die zekerheid te verlenen, over een beoordelingsvrijheid kunnen beschikken waarover de echtgenoot of wettelijk samenwonende wiens verbintenis een voorwaarde is voor de toekenning van een door zijn partner aangevraagde lening, niet in dezelfde mate beschikt.
B.12. In zoverre zij betrekking heeft op artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet, dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord."

Een en ander staat er voor het Grondwettelijk Hof evenwel niet aan in de weg dat de feitelijk samenwonende partner om de toepassing van artikel 80, derde lid van de Faillissementswet verzoekt. Op grond van deze bepaling kan de rechtbank elke natuurlijke persoon die zich persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, geheel of gedeeltelijk van deze verbintenis bevrijden indien deze van belangeloze aard is, hij zijn onvermogen niet frauduleus organiseerde en zijn verbintenis niet in verhouding staat met zijn inkomsten en vermogen.

De kosteloze aard van de borg houdt in dat er met de borgstelling geen enkel rechtstreeks of onrechtstreeks economisch voordeel wordt nagestreefd.

Het is volgens het Hof dus wel redelijk verantwoord dat de gevolgen van de verschoonbaarheid niet automatisch doorwerken naar de feitelijk samenwonende partner (zij genieten niet van rechtswege van de werking van de verschoonbaarheid), maar het zou daarentegen niet redelijk verantwoord zijn indien de feitelijk samenwonende partner ook verhinderd zou zijn van elke bevrijding van de kosteloze borg onder de hiervoor gestelde voorwaarden. De feitelijke beoordeling komt toe aan de verwijzende rechter.