14/02/2014

De handelsagentuur: wil van de partijen is wet

In een arrest van 17 oktober 2013 heeft het Europees Hof van Justitie zich uitgesproken over de vraag of de agentuurwet van één lidstaat van de Europese Unie opzij kan geschoven worden in het voordeel van de agentuurwet van een andere lidstaat, die de agent een ruimere bescherming biedt.  

Een Belgisch bedrijf had in 2005 een handelsgaentuurovereenkomst afgesloten met een Bulgaarse principaal. Volgens het contract was het Bulgaarse recht, en dus de Bulgaarse agentuurwet, van toepassing was. Omdat de Belgische agent meende dat zijn principaal de overeenkomst onrechtmatig had beëindigd, startte hij een juridische procedure voor de Belgische rechtbank. 

De Belgische agent had echter vastgesteld dat het voor hem interessanter zou zijn als niet de Bulgaarse, maar wel de Belgische handelsagentuurwet van toepassing zijn. Ondanks het feit dat partijen voor het Bulgaarse recht gekozen hadden, wilde hij dat dus door de Belgische rechter opzij laten schuiven ten voordele van de Belgische agentuurwet. 

Hierbij dient kort geduid dat de agentuurwetgeving in de verschillende lidstaten van de Europese Unie steeds omzetting zijn van eenzelfde Europese richtlijn. Met de richtlijn verplicht Europa haar lidstaten om de agent een minimumbescherming te beiden, die in alle lidstaten gelijk is. De lidstaten kunnen individueel beslissen om een ruimere bescherming te bieden, maar ze zijn dit niet verplicht. Reden waarom de Belgische agent liever de Belgische agentuurwet toegepast zag, was dan ook dat hij op grond daarvan een grotere schadevergoeding zou genieten.     

Deze kwestie kwam voor het Hof. Dat moest zich uitspreken over de vraag of de rechter van een lidstaat de agentuurwetgeving van een andere lidstaat, die partijen uitdrukkelijk van toepassing verklaard hebben op hun agentuurovereenkomst, opzij mag schuiven om de agentuurwetgeving van zijn eigen lidstaat, die de agent een ruimere bescherming biedt, toe te passen.

De Belgische agent argumenteerde voor het het Hof dat de Belgische agentuurwetgeving bijzonder dwingend recht is, en dus voorrang moet hebben op de rechtskeuze van partijen.  

Het Hof is de Belgische agent hierin niet gevolgd. Het oordeelde dat indien partijen voor de agentuurwetwetgeving van een lidstaat gekozen hebben, de rechter die keuze nadien niet naast zich neer kan leggen, ten minste in zoverre het gekozen nationale recht de Europese minimumbescherming biedt. De rechter moet de keuze van de partijen dus respecteren. Het Hof preciseerde nog dat enkel wanneer de handhaving van de "politieke, sociale of economische organisatie" van het land van de rechter op het spel staat, deze voorrang mag geven aan zijn eigen nationale wetgeving. De agentuurwetgeving, die tenslotte een louter commerciële samenwerking regelt, valt niet binnen dit strikte criterium.   

Praktisch komt de uistrpaak van Het Hof er dus op neer dat de rechter de wil van partijen om de agentuurwet van een lidstaat op hun samenwerking toe te passen, moet respecteren. Keerzijde van de medaille is dan uiteraard dat de rechter de wil van de partijen ook niet ter zijde kan schuiven om na de beëindiging (of op om het even welk ander moment) een voor de agent voordeligere agentuurwet van een andere lidstaat toe te passen. Deze uitspraak bewijst dus nogmaals dat het de moeite loont om vooraleer een agentuurcontract af te sluiten na te gaan welke agentuurwetgeving de meest voordelige basis voor samenwerking is.