19/04/2012

De opheffing van het bankgeheim: terug naar af?

Het bankgeheim is van oudsher een gevoelig topic. Discussies over de vraag hoe ver dit bankgeheim reikt en wanneer de privacy plaats moet ruimen voor een al dan niet hoger belang zijn nooit ver af. Hoogstens is er een - meestal kortstondige - luwte voor een nieuwe storm. Sinds het voorjaar van 2011 wordt het debat weer volop gevoerd. Met ingang van 1 juli 2011 werd het bankgeheim zoals het tot dusver gekend was in België immers opgeheven, minstens sterk uitgehold, met de fiscus en de Schatkist als meest dankbare toeschouwers.

Maar doorstaat deze inderhaast geschreven nieuwe regelgeving de grondwettelijkheidstoets? In het kader van een geschil dat Karel De Gucht met de fiscus uitvecht, heeft het Hof van Beroep van Gent de bal nu in het kamp van het Grondwettelijk Hof gelegd.

 

Het bankgeheim: a never ending story

 

België had vroeger een bankgeheim. Of toch minstens een discretieplicht van de banken. Wat het nu precies was, is nooit echt duidelijk geweest.

 

Wat er inzake bankgeheim al bestond, vormde in ieder geval het voorwerp van  talloze discussies. Er zijn de afgelopen jaren een tiental wetsvoorstellen geweest om het bankgeheim te versoepelen, maar de eindmeet werd nooit gehaald bij gebreke aan een politieke consensus daartoe.

 

De programmawet van 14 april 2011

 

Onder druk van de parlementaire onderzoekscommissie naar grote fiscale fraude (in het leven geroepen naar aanleiding van het dossier Beaulieu) en om te voorkomen dat België op de 'grijze lijst' van de OESO zou belanden (de lijst van landen die onvoldoende fiscale informatie uitwisselen) werd uiteindelijk toch de politieke consensus gevonden om het bankgeheim op te heffen. Het bankgeheim werd versoepeld 'in ruil' voor de uitbreiding van de mogelijkheid om in (fiscale) strafzaken via minnelijke schikking een proces voor de strafrechter te vermijden.

Deze versoepeling werd geconcretiseerd in de programmawet van 14 april 2011[1], die op 1 juli 2011 in werking is getreden.

 

Concreet impliceren de nieuwe bepalingen een 'dubbel stappenplan':

 

  1. in eerste instantie dient de fiscus de bankgegevens zelf bij de belastingplichtige op te vragen. Dit kan door middel van een klassieke schriftelijke vraag tot inlichtingen, met dien verstande dat de fiscus uitdrukkelijk moet aangeven dat de gegevens desnoods rechtstreeks bij de bank zullen worden opgevraagd indien medewerking uitblijft.
  2. indien de belastingplichtige niet meewerkt, kan de fiscus de gewenste gegevens bij de bank zelf bekomen. De wet (het nieuwe art. 322, § 2 WIB '92) heeft het over "elke inlichting [...] die nuttig kan zijn om het bedrag van de belastbare inkomsten van de belastingplichtige te bepalen". De bank kan echter slechts worden aangesproken als één van de volgende voorwaarden voldaan is:
  • de administratie beschikt over één of meer aanwijzingen van belastingontduiking;
  • de administratie is van plan om een indiciaire afrekening op te stellen, nadat dus werd gecontroleerd of bepaalde gedane uitgaven kunnen worden verantwoord door aangegeven inkomsten en/of opname van spaargelden. Maar ook in deze hypothese moet er in principe sprake zijn van aanwijzingen van belastingontduiking.
  • de Belgische fiscus heeft een vraag gekregen van een buitenlandse zusteradministratie. Deze voorwaarde ligt in lijn met de EU-richtlijn 2011/16/EU inzake gegevensuitwisseling die voorziet dat EU-lidstaten het bankgeheim niet kunnen inroepen bij vragen om samenwerking uit andere lidstaten.[2]

Het begrip 'aanwijzingen van belastingontduiking' werd in de parlementaire voorbereidingen van de wet van 14 april 2011 omschreven als "een materieel, concreet en verifieerbaar element dat het voor de controleur mogelijk maakt een gegrond vermoeden van fraude te hebben, wat niet hetzelfde is als een bewijs. Fraude moet dus niet bewezen zijn."[3] Tot 'aanwijzingen van belastingontduiking' behoren niet enkel voor de hand liggende feiten zoals zwartwerk of valse facturen, maar ook bijvoorbeeld:

 

  • het bezit van een bankrekening in het buitenland zonder aangifte hiervan in de personenbelasting;
  • de vaststelling dat aankopen zijn gebeurd zonder factuur of op grond van een factuur die niet in de boekhouding is opgenomen;
  • onverantwoorde verschillen tussen offertes, facturen, bestelbons, transportdocumenten, enz.
  • aanvraag van belastingvoordelen waarvoor de werken niet zijn uitgevoerd;
  • niet indienen van aangiftes;
  • enz.

Ongeacht deze voorwaarden is er ook een administratieve filter ingebouwd om te vermijden dat iedere lokale ambtenaar de bankgegevens zomaar zou kunnen opvragen. Deze filter bestaat in de aanstelling van een of meerdere ambtenaren die bevoegd zijn om na te gaan of aan de voorwaarden is voldaan.

In dit stadium kan de belastingplichtige niet veel meer doen dan lijdzaam toezien. Er moet hem enkel worden meegedeeld, in principe gelijktijdig met het opvragen van de informatie bij de bank, welke aanwijzingen van belastingontduiking er zijn vastgesteld.

Daarnaast heeft de Wet van 14 april 2011 een zogenaamd 'Centraal aanspreekpunt voor bankgegevens' (CAB) in het leven geroepen. Dit CAB is een register, bijgehouden bij de nationale bank van België, waarin iedere bank-, wissel-, krediet- en spaarinstelling onder meer de identiteit van hun cliënten en de nummers van hun bankrekeningen en contracten kenbaar moet maken. Het gaat om basisinformatie die de fiscus moet toelaten om bij één enkele instantie alle nodige informatie te vinden om het bankonderzoek mogelijk te maken. Enkel de gemachtigde ambtenaar heeft toegang tot dit register.

 

Verfijning bij wet van 7 november 2011

 

De inderhaast geschreven bepalingen in de programmawet van 14 april 2011 hadden al snel nood aan enige verduidelijking. De wet van 7 november 2011[4] kwam hier aan tegemoet, zij het in beperkte mate.

Vooreerst werd verduidelijkt dat de verplichting voor de fiscus om een kennisgeving te sturen aan de belastingplichtige wanneer hij gegevens opvraagt bij de bank ook geldt in geval de fiscus voornemens is om een indiciaire aanslag te vestigen. In die kennisgeving moet hij de precieze elementen vermelden die aanleiding geven tot dat voornemen. Doordat artikel 333 WIB '92 alleen spreekt van 'aanwijzing of aanwijzingen van belastingontduiking' was het immers onduidelijk of een kennisgeving ook verplicht is als de fiscus een aanslag op basis van tekenen en indiciën wil vestigen.

Indien de fiscus inlichtingen vraagt bij het CAB - dat op heden trouwens nog steeds dode letter is - moet er geen kennisgeving verstuurd worden.

Ook wanneer het bankgeheim wordt doorbroken naar aanleiding van een vraag van een buitenlandse instantie moet de fiscus geen kennisgeving aan de belastingplichtige sturen.

Verder heft de wet van 7 november 2011 ook uitdrukkelijk het bankgeheim op ten aanzien van Bpost.

 

Klokkenluider van dienst

 

Deze nieuwe regelgeving die tot een belangrijke versoepeling van het bankgeheim in België heeft geleid, staat alweer op losse schroeven. Ongeacht het feit dat onder meer de Privacycommissie niet bijzonder opgezet is met de versoepeling van het bankgeheim, komt de kritiek ook vanuit de hoek van de belaagde belastingplichtige.

De klokkenluiders van dienst is Karel De Gucht, huidig Europees Commissaris voor Handel. Het geschil dat de Bijzondere Belastinginspectie (BBI) 'uitvecht' met De Gucht is niet nieuw. Om hun dossier te onderzoeken, wil de BBI inzage in de bankrekeningen van De Gucht. Er zouden vermoedens zijn van belastingontduiking. De Gucht vecht als belastingplichtige de inzage echter aan op grond van het recht op privacy en het feit dat de nieuwe regelgeving, tot stand gekomen bij Wet van 141 april 2011, hierop een inbreuk zou vormen.

 

Al in eerste aanleg werd de rechtbank verzocht om ter zake een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, maar de rechtbank ging hier niet op in.

De Gucht tekende beroep aan, waarop hij nu wél - voorlopig - zijn slag thuishalen. Het Hof van Beroep te Gent acht het aangewezen de nieuwe wet voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof, die zal moeten nagaan of de wet niet strijdig is met het grondwettelijk - en eveneens door internationale bepalingen - beschermd recht op privéleven. Het Hof stelt:

"Het spanningsveld tussen de mogelijkheden die aan de belastingadministratie door de betrokken wetsbepalingen worden geboden om informatie bij financiële instellingen in te winnen en het grondwettelijk (en tevens door internationaalrechtelijke bepalingen) beschermd recht op privéleven, is onbetwistbaar een bron van betwisting en ongerustheid op het fiscale veld."

Mede op grond van deze overweging heeft het Hof van Beroep het Grondwettelijk Hof ook gevraagd om na te gaan of de wetteksten niet "onvoldoende precies geformuleerd en onevenredig zijn met het daarin nagestreefde doel" van de bestrijding van fiscale fraude.

 

Het Grondwettelijk Hof is aan zet

 

Het woord is nu aan het Grondwettelijk Hof, die opnieuw een cruciale rol zal spelen in een belangrijk en vooral gevoelig vraagstuk.

Zolang het Grondwettelijk Hof geen standpunt heeft ingenomen, staat de zaak van De Gucht on hold.

Maar bovenal, als het Grondwettelijk Hof oordeelt dat de ingevoegde bepalingen van de wet van 14 april 2011, verfijnd bij wet van 7 november 2011, indruisen  tegen de Grondwet, lijkt een aanpassing - lees: uitholling - van die wetgeving onvermijdelijk. En zo terug naar af.

Wordt absoluut vervolgd.