Vierdelige opleidingscyclus actualia vermogensrecht (opleiding 4)
11/12/2018, 17u30

De hervorming van de erfbelasting. Wijzigingen na de hervorming van het erfrecht en evaluatie op vlak van successieplanning. Een analyse.

Filip Vermeulen, Belumeco

Menselijke gevoeligheden, emoties en financiële hangijzers werden op deskundige wijze omgezet in...

04/06/2012

Dienstverlening anno 2012: invloed van de dienstenwet op uw contractuele verplichtingen.

Op 26 maart 2010 werd de Dienstenwet goedgekeurd, die met terugwerkende kracht in werking trad op 28 december 2009. Een dienstverlener kan er niet omheen dat de Dienstenwet een belangrijke impact heeft op zijn activiteiten, en wel in het bijzonder op het ogenblik dat hij de eerste contacten met een latere klant legt. Om zeker te zijn dat de wet geen dode letter zou blijven, heeft de wetgever meteen een arsenaal aan sancties voorzien, waaronder zelfs strafsancties. Voor de dienstverlener loont het dus meer dan de moeite zich te informeren over de nieuwe verplichtingen die de Dienstenwet oplegt. Gezien de Dienstenwet betrekking heeft op verschillende juridische domeinen is dit echter geen sinecure. Hierbij alvast een aanzet tot verheldering.     

Doel en toepassingsgebied van de Dienstenwet

De Dienstenwet, die een omzetting is van een Europese richtlijn, heeft een dubbele doelstelling. Enerzijds werkt zij het kader uit voor een vrijheid van vestiging en van dienstverlening en anderzijds wil zij meer rechten toekennen aan diegene die diensten afneemt.  

De wetgever heeft getracht een zo ruim mogelijke wet tot stand te brengen, die op de dienstverlenende sector in de meest ruime zin van toepassing zou zijn. Een "dienst" in de zin van de wet wordt dan ook gedefinieerd als "elke economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt, zoals bedoeld in artikel 50 van het EG-Verdrag". Zo dienen onder meer uw boekhouder, consultant en bedrijfsrevisor, maar ook uw advocaat de wet te respecteren. 

Een "dienstverrichter" wordt dan weer omschreven als "iedere natuurlijke persoon, onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of rechtspersoon in de zin van artikel 48 van het EG-Verdrag, gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie en die een dienst aanbiedt of verricht".  Bijgevolg is de Dienstenwet van toepassing ongeacht of een dienst wordt aangeboden in eigen naam, dan wel via een vennootschap. Bovendien is de Dienstenwet van toepassing op iedere dienstverrichter die onderdaan is van of gevestigd is een lidstaat van de Europese Unie. Dit ruime toepassingsgebied hoeft niet te verbazen wanneer men weet dat ook de Dienstenwet een omzetting is van een Europese richtlijn.

Tenslotte is ook nog de "afnemer" van belang, die door de Dienstenwet beschermd wordt en omschreven wordt als "iedere natuurlijke persoon die onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie of die rechten heeft die hem door communautaire besluiten zijn verleend, of iedere rechtspersoon in de zin van artikel 48 van het EG-Verdrag die in een lidstaat van de Europese Unie is gevestigd en, al dan niet voor beroepsdoeleinden, van een dienst gebruik maakt of wil maken". Bijgevolg zijn het niet alleen de particulieren die voor private doeleinden een contract met de dienstverrichter afsluiten, die van de bescherming van de Dienstenwet genieten. Ook die personen en vennootschappen die om professionele redenen met een dienstverrichter een contract sluiten, dienen onder de hiervoor gedefinieerde "afnemer" begrepen te worden.

De Dienstenwet beperkt er zich echter niet toe om de rechten van de afnemer te versterken. Immers werkt de Dienstenwet in zekere zin ook een administratieve vereenvoudiging in de hand, wat dan weer in het voordeel van de dienstverlener is.   

Administratieve vereenvoudiging

Ter concretisering van de Europese principes van vrijheid van vestiging en  dienstverlening bevat de Dienstenwet bepalingen die in hoofdzaak gevolgen hebben op het administratief vlak. De Europese regelgever wil immers een werkelijk vrije markt van diensten creëren en nationale beperkingen die dit zouden verhinderen moeten dan ook sneuvelen.  

Zo voorziet de Dienstenwet dat er een vrijheid van vestiging is en dat, in zoverre voor de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit een vergunningsstelsel is uitgewerkt, dit aan de volgende voorwaarden moet voldoen:

  • het vergunningsstelsel mag niet discriminerend zijn ten aanzien van een dienstverrichter;
  • de behoefte aan een vergunningsstelsel moet gerechtvaardigd zijn om een reden van algemeen belang;
  • het nagestreefde doel mag niet door een andere, minder beperkende maatregel (dan het vergunningsstelsel) bereikt kunnen worden, en wel omdat een controle na toekenning van de vergunning te laat zou komen om werkelijk doeltreffend te zijn.

Verder verplicht de Dienstenwet dat de criteria die gehanteerd worden om een vergunning toe te kennen, moeten beletten dat de autoriteiten die de vergunning toekennen, hun beoordelingsvrijheid op willekeurige wijze zouden uitoefenen. Zo moeten de criteria waarop een vergunningsstelsel gesteund is onder meer niet discriminerend zijn, duidelijk en ondubbelzinnig, objectief, vooraf openbaar bekendgemaakt etc.

Hoewel het ietwat abstract taalgebruik het tegendeel zou doen vermoeden, hebben de aangehaalde bepalingen van de Dienstenwet reeds concrete veranderingen met zich gebracht. Zo werd bijvoorbeeld het vergunningsstelsel voor huwelijksbureaus afgeschaft. Op grond van de idee dat vergunningen niet langer onnodig mogen zijn, kon de overheid niet langer de vergunningen voor de huwelijksbureaus rechtvaardigen. Het doel van de vergunningen, zijnde de controle van de contracten die gebruikt worden in de relatie met personen die zich bij een huwelijksbureau inschrijven, kan even goed bereikt worden door een controle na registratie, wat een minder beperkende maatregel is dan een vergunningsplicht.

Het zou ons te ver leiden  om ook de overige administratieve bepalingen van de Dienstenwet te bespreken. In dit beperkte bestek kunnen we wel nog melden dat de Dienstenwet onder meer vereisten oplegt inzake de vergunningsprocedure en -formaliteiten ("gemakkelijk toegankelijk"), de verzekering voor beroepsaansprakelijkheid ("geen beroepsaansprakelijkheid of waarborg wanneer dienstverrichter in een andere lidstaat van de Europese Unie al gedekt is door een gelijkaardige waarborg"), etc.  

Informatieplichten van de dienstverrichter

Naast deze administratieve bepalingen bevat de Dienstenwet bepalingen die de relatie tussen een dienstverrichter en een afnemer beheersen en wel door eisen te stellen inzake (i) kwaliteit van de diensten, (ii) de informatie die de dienstverrichter aan de afnemer moet meedelen (iii) en transparantie in de contractuele verhouding dienstverrichter - afnemer.

De informatie die de dienstverrichter aan zijn afnemer moet verstrekken heeft zowel betrekking op de identiteit van de dienstverrichter als op de voorwaarden tegen dewelke de dienst verricht wordt. Bepaalde elementen van de te verstrekken informatie zijn ingegeven door het gezond verstand, of worden zelfs reeds door andere wetgeving opgelegd, maar dat neemt niet weg dat de Dienstenwet toch ook verschillende nieuwe verplichtingen oplegt. Een opsomming van de informatie die de dienstverlener dient mee te delen, is dan ook meer dan op zijn plaats:

  • naam, of, in geval van een vennootschap, maatschappelijke benaming;
  • rechtsvorm;
  • geografisch adres waar de dienstverrichter gevestigd is;
  • adresgegevens, met inbegrip van eventueel e-mailadres, die een snel contact en een rechtstreekse en effectieve communicatie mogelijk maken;
  • ondernemingsnummer;
  • maatschappelijke zetel;
  • de adresgegevens van de bevoegde autoriteit of het ondernemingsloket wanneer voor de activiteiten een vergunningsstelsel geldt, dan wel wanneer er een vergunnings- of aangifteplicht is in het kader van de privacywetgeving;
  • indien de dienstverrichter een gereglementeerd beroep uitoefent (v.b. advocaat, bedrijfsrevisor,...), dient hij (i) zijn beroepstitel en de Europese lidstaat waarin die verleend is te vermelden en (ii) de handelsvereniging of beroepsorganisatie waarbij hij is ingeschreven;  
  • de algemene voorwaarden die de dienstverrichter hanteert;
  • contractsbepalingen die de dienstverrichter hanteert betreffende het op het contract toepasselijke recht en/of betreffende de bevoegde rechter;
  • de garanties na verkoop, indien deze niet door de wet zijn opgelegd;
  • de prijs van de dienst in zoverre de dienstverrichter de prijs daarvan vóór aanvang van de dienstverlening heeft vastgesteld;
  • de belangrijkste kenmerken van de dienst;
  • de adresgegevens van de verzekeraar of de waarborg die de activiteiten van de dienstverrichter dekken.  

Dit is echter nog niet alles. Wanneer de dienstverrichter deel uitmaakt van een groter samenwerkingsverband, moet hij de afnemer informeren van de multidisciplinaire activiteiten en partnerschappen die rechtsreeks verband houden met de betrokken dienst én over de maatregelen die hij neemt om belangenconflicten te voorkomen. Zonder meer een zeer vage bepaling, die hoofdbrekens kan bezorgen over de precieze invulling ervan.   

Verder moet de dienstverrichter op vraag van de afnemer ook volgende aanvullende informatie ter beschikking stellen:

  • wanneer de dienstverrichter de prijs van een bepaalde soort dienst niet vooraf heeft vastgesteld, de prijs van die dienst, of wanneer de precieze prijs niet kan worden gegeven, de manier waarop de prijs wordt berekend, zodat de afnemer de prijs kan controleren, of een voldoende gedetailleerde kostenraming;
  • voor de gereglementeerde beroepen, een verwijzing naar de geldende beroepsregels en de wijze waarop hierin inzage kan worden verkregen;
  • informatie over de multidisciplinaire activiteiten van de dienstverlener en zijn partnerschappen die rechtsreeks verband houden met de betrokken dienst, en over de maatregelen ter voorkoming van belangenconflicten;
  • de gedragscodes die op de dienstverrichter van toepassing zijn, alsmede het adres waar zij elektronisch kunnen worden geraadpleegd en de beschikbare talen waarin deze codes kunnen worden geraadpleegd.

Aldus dient de dienstverlener op uitdrukkelijk verzoek van de afnemer onder andere de deontologische regels waaraan hij onderhevig is mee te delen.

Elk element van de wettelijk verplichte informatie, dient meegedeeld te worden vóór de sluiting van het contract, of - indien er geen schriftelijk contract is -, vóór het verlenen van de dienst.

Verder regelt de Dienstenwet ook nog de manieren waarop de dienstverrichter de informatie moet meedelen, zij het dat laatstgenoemde een keuzerecht heeft:   

  • de informatie wordt afgegeven aan de afnemer;
  • de informatie wordt toegankelijk gemaakt voor de afnemer op de plaats waar de dienst wordt verricht of het contract wordt gesloten; 
  • de informatie wordt toegankelijk gemaakt op een elektronisch adres;  
  • de dienstverrichter neemt de informatie op in een informatiedocument.

Een laatste categorie van te verstrekken informatie heeft betrekking op gegevens die de afnemer transparantie moeten beiden voor het geval er een geschil dreigt. Zo is de dienstverrichter verplicht een postadres, faxnummer of e-mailadres en een telefoonnummer te verstrekken waar een afnemer rechtsreeks een klacht kan indienen of informatie over de verrichte dienst kan vragen.

Volledig in de geest van de wet is verder nog bepaald dat de dienstverrichter zo snel mogelijk op een klacht dient te reageren en alles in het werk dient te stellen om een bevredigende oplossing te bereiken. Indien een oplossing uitblijft, moet de dienstverrichter dus kunnen aantonen dat hij zich voldoende heeft ingespannen om tot een oplossing te komen.

En ook inzake klachten grijpt de Dienstenwet terug naar reglementen voor bepaalde beroepsgroepen en gedragscodes. Wanneer een gedragscode, een handelsvereniging of een beroepsorde voorziet in een geschillenregeling buiten de rechtbank om, moet de dienstverrichter zijn afnemer ook hiervan op de hoogte stellen.  

Tenslotte, en los van de verplichting tot informatieverstrekking, verbiedt de Dienstenwet de dienstenverstrekker om  aan de afnemer eisen te stellen die het gebruik van de dienst in een andere Europese lidstaat beperken. Discriminerende eisen op grond van nationaliteit of verblijfplaats zijn evenzeer uit den boze.     

Sancties

Zoals we de dag van vandaag steeds vaker vaststellen bij wetgeving in de economisch sfeer die (mee) het belang van de afnemer dient, voorziet ook de Dienstenwet in een arsenaal van sancties. 

Vooreerst kan de minister bevoegd voor economie ambtenaren aanstellen om de handelingen in strijd met de Dienstenwet op te sporen en vast te stellen. Hoewel deze ambtenaren in principe ook loutere waarschuwingen kunnen geven aan een dienstverrichter die de Dienstenwet schendt, hebben deze ambtenaren toch  verregaande bevoegdheden. Zo kunnen zij proces-verbaal opmaken van een vastgestelde schending (die als basis voor een strafrechtelijke veroordeling zal dienen - zie hierna) en in zoverre noodzakelijk voor hun opdracht kunnen zij o.a. (i) tijdens de gewone openings- of werkuren binnetreden in de lokalen van de dienstverstrekker, (ii) er documenten, stukken of boeken inzien, (iii) tegen ontvangstbewijs beslag leggen op deze documenten, stukken of boeken, (iv)  in bewoonde lokalen binnentreden met machtiging van de politierechter. 

Naast een waarschuwingsprocedure, waarbij de dienstverrichter wordt aangemaand tot stopzetting van de inbreuk op de Dienstenwet, kunnen de ambtenaren een overtreder ook een som voorstellen die bij betaling de strafvordering doet vervallen.

De dienstverrichter die één van de opgelegde verplichtingen (ofwel inzake informatieverstrekking, ofwel inzake niet-discriminatie) schendt, kan een geldboete opgelegd krijgen van minimum      EUR 250 en maximum EUR 10.000. Als voor de strafrechter aangetoond wordt dat de overtreding moedwillig gebeurde, worden zowel de minimum- als de maximumgrens opgetrokken tot het dubbele (respectievelijk EUR 500 en                 EUR 20.000).

Een strafrechtelijke veroordeling kan echter vermeden worden door betaling van een geldsom voorgesteld door de aangestelde ambtenaren. Het initiatief hiervoor licht echter bij de ambtenaren; wanneer zij geen voorstel tot betaling doen is een strafrechtelijke procedure onafwendbaar.  

Dat is echter niet alles. Een aanvullende wet van dezelfde datum als de Dienstenwet geeft ook de voorzitter van de rechtbank van koophandel een belangrijke functie bij het doen respecteren van de Dienstenwet. Immers kan de voorzitter verzocht worden om snel een halt toe te roepen aan inbreuken op de Dienstenwet.   

De aanvullende wet bepaalt een ruim aantal personen of entiteiten die een verzoek tot staking bij de voorzitter kunnen indienen.  Naast - vanzelfsprekend  iedere belanghebbende -, vermeldt de wet zo ook de ministers van middenstand of economie, beroeps- of interprofessionele verenigingen en verenigingen die de consumentenbelangen verdedigen (vb. Test-Aankoop,...).

Tenslotte is het niet onbelangrijk te weten dat de verplichting die de voorzitter oplegt om een inbreuk op de Dienstenwet te staken, kan gepaard gaan met een verplichting tot publicatie van zijn beslissing. Meer bepaald kan hij de  aanplakking van zijn uitspraak bevelen, zowel in als buiten de instelling van de inbreukplegende dienstverlener, of publicatie van zijn uitspraak in kranten, dan wel een andere wijze van bekendmaking. De enige beperking is dat de publicatie moet bijdragen aan het ophouden van de gewraakte daad of de uitwerking ervan. Reputatieschade wordt hiermee dus reëel.

Het valt af te wachten of de rechter bij het uitspreken van veroordelingen op basis van de Dienstenwet oog zal hebben voor de vele administratieve verplichtingen waaraan de (dienstverlenende) ondernemer reeds dient te voldoen, dan wel of een prioriteit zal worden gemaakt van een stringente toepassing, wat - het weze gezegd - tot zeer zware, en in bepaalde gevallen mogelijks zelfs disproportionele sancties kan leiden.