21/01/2016

Een faillissement van uw buitenlandse schuldenaar: gewoon lijdzaam ondergaan?

Omdat insolventieprocedures, waarvan faillissement het bekendste voorbeeld is, vaak grensoverschrijdende gevolgen (kunnen) hebben heeft Europa in 2000 regelgeving uitgevaardigd over dergelijke procedures.  

Volgende onderwerpen komen daarin aan bod:

  • de rechtbank bevoegd voor het openen van een faillissementsprocedure;
  • het toepasselijk recht;
  • de erkenning van rechtelijke beslissingen in gevallen van insolventie;
  • de rechtsverhouding tussen verschillende insolventieprocedures geopend tegen eenzelfde debiteur; 
  • de indiening van vorderingen door buitenlandse schuldeisers. 

Speerpunt van de regelgeving is dat de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan beheerst worden door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure wordt geopend. "De lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure wordt geopend" is de lidstaat waar de schuldenaar het centrum van zijn voornaamste belangen aanhoudt. Zolang het tegendeel niet bewezen is, gaat dit over de lidstaat waar de zetel van het bedrijf is gelegen. Concreet: bij een faillissement van een bedrijf met het centrum van haar belangen in een Europese lidstaat is de faillissementswet van die lidstaat van toepassing en die wet beslaat het wereldwijde vermogen van de debiteur.   

Bijgevolg wordt een faillissement afgewikkeld, en worden dus ook de rechten van de schuldeisers bepaald volgens het recht van de lidstaat waar het faillissement geopend is. Het recht van die lidstaat bepaalt ook de regels betreffende de nietigheid, vernietigbaarheid of niet-tegenwerpbaarheid van door de gefailleerde gestelde handelingen die voor het geheel van de schuldeisers nadelig zijn. 

Met een recent arrest van 15 oktober 2015 heeft het Europees Hof van Justitie in herinnering gebracht dat het principe van één toepasselijke nationale wetgeving genuanceerd moet worden. Het Hof sprak zich ook duidelijk uit over de voorwaarden waaronder van dat principe kan afgeweken worden. Bewijs is daarbij essentieel.

De regelgeving bepaalt dat het principe van het ene toepasselijke recht opzij geschoven wordt wanneer volgende cumulatieve voorwaarden vervuld zijn: 

  • wanneer diegene die voordeel heeft gehad bij een voor het geheel van de schuldeisers nadelige handeling bewijst dat deze handeling onderworpen is aan het recht van een andere lidstaat dan die lidstaat waar de procedure is geopend;
  • en dat dat recht in het gegeven geval niet voorziet in de mogelijkheid om die handeling te bestrijden

Europa wilde dus het gewettigd vertrouwen beschermen van diegene die voordeel heeft gehad bij een handeling die eigenlijk voor de volledige groep van schuldeisers nadelig is. En zij doet dat door te bepalen dat deze handeling, zelfs nadat het faillissement is geopend, nog steeds wordt beheerst door het recht dat op de handeling van toepassing was op de datum waarop zij is verricht. 

De discussie aanleiding voor de uitspraak van het Hof deed zich voor tussen de Nederlandse vennootschap Nike European Operations Netherlands B.V en een Finse klant Sportland. Deze laatste nam op basis van een overeenkomst waarop het Nederlandse recht van toepassing was, goederen af van Nike. Op grond van die overeenkomst betaalde de Finse klant in een periode van ongeveer drie maanden (van 10 februari 2009 tot en met 20 mei 2009) € 195.000,00 aan vervallen schulden aan Nike. 

Op 26 mei 2009 opende de Finse rechtbank een insolventieprocedure tegen Sportland. Daarop diende Sportland bij de Finse rechtbank een vordering tot vernietiging in van de betalingen die zij ten gunste van Nike had uitgevoerd. Sportland vroeg de rechtbank dus Nike te veroordelen tot terugbetaling van de betaalde bedragen.

Voor het vervolg is het belangrijk dat u weet wat zowel het Finse als het Nederlandse recht bepaalt over de mogelijkheid om betalingen door een later failliet verklaarde vennootschap te vernietigen. De Finse wet bepaalt dat de betaling van een schuld die minder dan drie maanden voor de peildatum is verricht, wordt vernietigd:

  • indien de schuld is betaald met ongebruikelijke betaalmiddelen;
  • indien de schuld is betaald vóór de vervaldatum; 
  • of indien de betaling ten opzichte van de omvang van de failliete boedel aanzienlijk lijkt.

De Nederlandse wet bepaalt dat de betaling van een schuld wordt vernietigd: 

  • indien wordt aangetoond dat hij die de betaling ontvangen heeft, wist dat het faillissement van de schuldenaar al was aangevraagd;
  • of indien de betaling het gevolg is van overleg tussen schuldeiser en schuldenaar met de bedoeling de schudeiser boven andere schuldeisers te begunstigen. 

Nike betwistte de eis tot terugbetaling van Sportland dus door zich op het Nederlandse recht te beroepen. De Finse rechtbank volgde Sportland, wat er dus betekende dat Nike aan Sportland moest terugbetalen. Zij motiveerde haar beslissing door te stellen dat Nike niet had aangetoond dat de betalingen niet konden worden betwist. 

Nike meende dat zij de inhoud van de Nederlandse wet wel voldoende had bewezen, en tekende hoger beroep aan. Het is die beroepsinstantie die zich, vooraleer uitspraak te doen, tot het Hof richt met bepaalde vragen over de toepassing van de regeling.  

Het Hof geeft een overzicht van de voorwaarden opdat, los van het recht dat de faillissementsprocedure beheerst, een tweede nationale wetgeving op een gestelde handeling van toepassing zou zijn, zodat de handeling niet nietig, vernietigbaar of niet-tegenstelbaar is:

  • het recht dat op de handeling van toepassing is, maakt het, gelet op alle omstandigheden van het geval, niet mogelijk om de betrokken handeling te bestrijden;
  • het is aan diegene die tegen wie een vordering tot nietigheid, vernietiging of niet-tegenwerpbaarheid is ingesteld om te bewijzen dat de handeling op grond van het toepasselijke recht niet kan worden bestreden; of nog: de verzoeker die zich beroept op het recht dat de faillissementsprocedure regelt, moet niet bewijzen dat voldaan is aan de voorwaarden die de betrokken handeling zou kunnen bestrijden; 
  • de bewijslast van de verweerder omvat het volledige recht dat op de handeling van toepassing is: zowel de faillissementswet als de andere bepalingen uit dat recht (v.b. andere wetgeving, algemene rechtsbeginselen enz.);
  • en enkel wanneer de verweerder afdoende heeft bewezen dat de betrokken handeling niet kan worden bestreden mag de rechtbank de bewijslast alsnog bij de verzoeker leggen. 
Moraal van het verhaal: ondanks de niet evidente bewijslast loont het als schuldeiser de moeite om er het recht op na te zien dat van toepassing is op de met de failliete onderneming gesloten overeenkomst. Dat recht kan vermijden dat u als schuldeiser moet ingaan op de eis tot terugbetaling van bedragen die u in het kader van het contract ontvangen heeft, omdat de curator voorhoudt dat de betalingen nietig zouden zijn.