28/11/2012

Einde van de sperperiode in zicht

De sperperiode lijkt ten dode opgeschreven. Er was al eerder rechtspraak in die zin. Zo werd de kledingketen ZEB reeds een aantal keer vrijgesproken van inbreuken op de Wet marktpraktijken en consumentenbescherming van 2010 (hierna verkort: WMPC) voor het verkopen van kleding met korting in de sperperiode. Het pleit blijkt nu definitief beslecht te zijn door een arrest van het hof van cassatie van 2 november 2012, waarin winkelketen Inno en Unizo de belangrijkste partijen waren. Dit arrest verbreekt een vroeger arrest van het hof van beroep te Brussel, uitgesproken tussen dezelfde partijen, waarin nog geoordeeld werd dat Inno zich wel schuldig maakte aan een inbreuk op de Wet Handelspraktijken en consumentenbescherming van 1991(hierna verkort: WHPC) door in de sperperiode kleding met korting te verkopen.     

De koopjesperiode voor kledij, lederwaren en schoenen loopt van 3 januari tot en met 31 januari en van 1 juli  tot en met 31 juli. De discussie die het hof van cassatie werd voorgelegd betrof de weken die aan deze koopjesperiodes voorafgaan, de zogenaamde sperperiode (die onder de WHPC liep van 15 november tot en met 2 januari en van 15 mei tot 30 juni). De Belgische wet verbiedt aan verkopers van kledij, schoenen en lederwaren om tijdens de sperperiode prijskortingen aan te kondigen of ze zelfs maar te suggereren. Evenmin mogen verkopers vóór de sperperiode prijskortingen aankondigen of suggereren die tijdens de sperperiode uitwerking zouden hebben. De verkoper mag tijdens de sperperiode wel prijsverminderingen toestaan als de klant daarom vraagt, en dus zonder dat dit wordt aangekondigd.    

Het hof van cassatie stelt nu dat de sperperiode valt onder het toepassingsgebied van de Europese regelgeving inzake oneerlijke marktpraktijken, die tot doel heeft om in de verschillende lidstaten een zo hoog mogelijk niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen. Het hof van cassatie is daarbij niet over één nacht ijs gegaan.  Zij won eerst advies in bij het Europees hof van justitie, aan wie de vraag gesteld werd of de Europese regelgeving inzake consumentenbescherming zich verzet tegen de Belgische wet die de sperperiode oplegt. Het hof van justitie oordeelde dat de Europese regelgeving inzake consumentenbescherming wel degelijk van toepassing is op de sperperiode, tenminste voor zover de Belgische wet de bescherming van de consument beoogt. Als gevolg van dit antwoord heeft het hof van cassatie het arrest van het hof van beroep vernietigd.     

Vraag is hoe het nu verder moet. Het hof van cassatie heeft geoordeeld dat de sperperiode onder het toepassingsgebied van de Europese regelgeving inzake consumentenbescherming valt, maar heeft de sperperiode op zich niet nietig verklaard of afgeschaft. De nietigverklaring zal moeten gebeuren door het hof van beroep te Antwerpen zijn, waarnaar het hof van cassatie de zaak heeft doorverwezen om de feiten opnieuw te beoordelen. Nietigheid van de sperperiode is op basis van het gevelde arrest van het hof van cassatie het enig mogelijke logische gevolg. Het ligt dus in de lijn der verwachtingen dat de hoven en rechtbanken die zich in de toekomst over de sperperiode moeten uitspreken, de Belgische regelgeving daarover als dode letter zullen beschouwen.  

De kous blijkt hiermee echter jammer genoeg nog niet helemaal af. Na overleg met ondermeer Unizo, NSZ en Comeos haastte Minister van Economie en Consumenten Johan Vande Lanotte zich dit weekend om te verklaren dat de sperperiode toch zal blijven bestaan, althans minstens voorlopig. Hij baseerde zijn standpunt op de weliswaar correcte vaststelling dat het hof van cassatie zich enkel heeft uitgesproken over de regels inzake de sperperiode opgenomen in de WHPC van 1991. In 2010 werd de WHPC echter vervangen door de WMPC en over deze laatste wet, die eveneens een regeling omtrent de sperperiode bevat, heeft het hof van cassatie zich nog niet uitgesproken. Minister Vande Lanotte meent daaruit te kunnen besluiten dat de sperperiode minstens voorlopig behouden dient te blijven.  

Blijkbaar verkiest de regering dus een nieuw arrest van het hof van cassatie over de WMPC van 2010 af te wachten, in plaats van pro-actief op te treden en zelf de wet in overeenstemming te brengen met de Europese regelgeving inzake consumentenbescherming. Dit valt te betreuren, zeker nu de WMPC van 2010volledig geënt is op de WHPC van 1991. Uit de mediaberichten van de laatste dagen blijkt nu reeds dat wanneer het hof van cassatie zich zal moeten uitspreken over de sperperiode zoals geregeld in de WMPC, de belangenverenigingen voor zelfstandigen zich opnieuw in de strijd zullen werpen en zullen voorhouden dat de WMPC niet onder toepassing van de Europese regelgeving inzake consumentenbescherming valt, omdat de WMPC (zogenaamd in tegenstelling tot de WHPC) louter tot doel zou hebben de concurrentie tussen winkeliers te regelen (en dus niet ook bescherming van de consument beoogt). Dit standpunt is zonder meer laakbaar, en wel omdat de WHPC precies de blauwdruk van de WMPC vormde. Hoe dan ook, de keuze van de regering om af te wachten in plaats van de wet te veranderen, is een gemiste kans om snel volledige rechtszekerheid te bieden.