09/06/2016

Franchisecontract: dekt de vlag de lading wel?

273_detail.jpg
Grotere bedrijven doen voor de distributie van hun producten of diensten vaak beroep op het franchisesysteem.

In een arrest van november 2015 heeft het Arbeidshof Brussel beslist om een franchisecontract tussen een distributiebedrijf en een zelfstandige uitbater te herkwalificeren naar een arbeidsovereenkomst. Het Arbeidshof heeft daarvoor zowel de contractuele afspraken tussen partijen als hun effectieve samenwerking geanalyseerd.

Feiten

Een distributiebedrijf sluit met een zelfstandige uitbater een zelfstandig samenwerkingscontract af voor de uitbating van één van haar verkooppunten. Partijen benoemen de overeenkomst als "uitbatingsovereenkomst", maar zij heeft alle kenmerken van een franchiseovereenkomst. Het distributiebedrijf betaalt de uitbater met een commissie, die zij berekent op de verkopen die in het verkooppunt gerealiseerd worden.

Wanneer de uitbater de openingsuren van zijn verkooppunt wil veranderen, beëindigt het distributiebedrijf prompt de samenwerking, zonder opzeggingstermijn of schadevergoeding.

Daarop dagvaardt de uitbater het distributiebedrijf voor de Arbeidsrechtbank. Hij vraagt de Arbeidsrechtbank om zijn samenwerkingscontract te herkwalificeren naar een arbeidsovereenkomst. Daaraan gekoppeld vraagt hij dat het distributiebedrijf hem sociale zekerheidsbijdragen, loonachterstallen, verbrekingsvergoeding en schadevergoedingen (waaronder een morele schadevergoeding) moet betalen.

De Arbeidsrechtbank oordeelt dat er tussen het distributiebedrijf en de uitbater geen zelfstandige samenwerkingsovereenkomst, maar wel een arbeidsovereenkomst bestond. Het distributiebedrijf blijft er daarentegen van overtuigd dat er geen sprake is van schijnzelfstandigheid en gaat in beroep.

Beoordeling door het Arbeidshof

Om te beoordelen of de kwalificatie (als uitbatingsovereenkomst) die partijen aan hun samenwerking gegeven hadden wel de geëigende kwalificatie was, heeft het Arbeidshof volgende twee vragen voor ogen gehouden:

of uit de feitelijke uitvoering van het contract blijkt dat het gaat om een zelfstandige samenwerkingsovereenkomst;
of de feiten onverenigbaar zijn met het bestaan van een zelfstandige samenwerking.

In essentie was het er het Arbeidshof om te doen te bepalen of het distributiebedrijf controle voerde over de uitbater - wat eigen is aan een arbeidsovereenkomst -, dan wel of het distributiebedrijf en de uitbater op voet van gelijkheid stonden - wat eigen is aan een zelfstandige samenwerkingsovereenkomst.

Het Arbeidshof heeft eerst het contract dat partijen hadden gesloten geanalyseerd. Net zoals de Arbeidsrechtbank heeft zij vastgesteld dat het bepalingen bevat die niet wijzen op een zelfstandige samenwerking. Het gaat meer bepaald om:

  • bepalingen die getuigen van een economisch onevenwicht tussen de partijen, want ze bevestigen een (minstens) economische afhankelijkheid van de uitbater tegenover het distributiebedrijf;
  • meer bepaald betrof het verregaande niet-concurrentieverplichtingen voor de uitbater en eenzijdige beëindigingsmogelijkheden voor het distributiebedrijf;
  • de mogelijkheid voor het distributiebedrijf om controle en permanent toezicht uit te oefenen over de uitbater en zijn verkooppunt op een manier die niet in verhouding staat tot wat voor het distributiebedrijf werkelijk noodzakelijk is;
  • het ging van procedures voor het dagelijks beheer van de koopwaar, de dienstverlening en prijsbepaling, over procedures voor de voorstelling van producten en diensten in het verkooppunt, tot het boekhoudkundig en financieel beheer van het verkooppunt;
  • de verplichting voor de uitbater om de door het distributiebedrijf aanbevolen verkoopprijzen te respecteren (en het hem dus onmogelijk maakt een eigen prijzenpolitiek te voeren);
  • de uitsluiting van de mogelijkheid voor de uitbater om bij het einde van de samenwerking een vergoeding te krijgen voor de waardestijging van het handelsfonds of voor de toename van cliënteel.
Ook wat de concrete uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst betrof, heeft het Arbeidshof geoordeeld dat de uitbater niet werkelijk als zelfstandige kon opereren:
  • de uitbater kon geen eigen prijzenpolitiek voeren;
  • de uitbater ontving de facturen voor de telefoonkosten van zijn verkooppunt niet rechtsreeks van de telefoonmaatschappij, maar het distributiebedrijf factureerde hem die kosten door; dit bewijst dat het distributiebedrijf de wil had om het verkooppunt te controleren;
  • de uitbater kon niet zelfstandig beslissen om klanten die met Bancontact betaalden een transactiekost aan te rekenen;
  • de uitbater kon bij het distributiebedrijf enkel producten bestellen die op een door het distributiebedrijf bezorgde lijst voorkwamen;
  • het was de uitbater bovendien verboden om rechtsreeks contact op te nemen met leveranciers.
Ten slotte was het Arbeidshof van mening dat volgende omstandigheden gewoonweg onverzoenbaar waren met een zelfstandige samenwerkingsovereenkomst:
  • de openingsuren van het verkooppunt;
  • het distributiebedrijf legde de openingsuren op zonder dat de uitbater daar iets in te zeggen had;
  • zodra de uitbater de openingsuren aangepast had, beëindigde het distributiebedrijf de samenwerking en dit om een reden die - volgens het Arbeidshof - verband houdt met insubordinatie, wat zich per definitie in de context van een arbeidsrelatie situeert, aangezien het om "verzet tegen een meerdere" gaat;
  • het distributiebedrijf controleerde nauwgezet het rendement van het verkooppunt;
  • wanneer de uitbater vooropgestelde quota niet haalde, ontzegde het distributiebedrijf de uitbater materiaal nodig voor de uitbating;
  • het distributiebedrijf had altijd toegang tot het verkooppunt, omdat zij een dubbel van de sleutels had;
  • een medewerker van het distributiebedrijf had zich ook effectief toegang verschaft zonder medeweten van de uitbater.

Zo is het Arbeidshof tot het besluit gekomen dat uit de feiten niet blijkt dat er een zelfstandige samenwerkingsovereenkomst was, maar ook dat tal van elementen zelfs onverenigbaar waren met een zelfstandige samenwerkingsovereenkomst. Het Arbeidshof heeft dan ook beslist om het uitbatingscontract te herkwalificeren naar een arbeidsovereenkomst, met alle financiële gevolgen van dien voor het distributiebedrijf.

Besluit

In het kader van een zelfstandige samenwerkingsovereenkomst mogen er aan de uitbater van een verkooppunt richtlijnen opgelegd worden, echter zonder dat ze verder gaan dan wat voor het distributiebedrijf noodzakelijk is om een gelijkaardige uitbating van de verschillende verkooppunten te garanderen. Met andere woorden: instructies van de opdrachtgever aan de opdrachtnemer zijn een noodzakelijke, maar gelukkig geen voldoende voorwaarde voor een herkwalificatie.

De Arbeidsrelatiewet bevat sinds 7 januari 2007 vier criteria om te bepalen of iemand werknemer dan wel zelfstandige is. Het gaat onder meer over de mogelijkheid om al dan niet de werktijd en het werk vrij te organiseren en om hiërarchische controle uit te oefenen. Laat dat de leidraad zijn, niet alleen bij het opmaken van zelfstandige samenwerkingsovereenkomsten, waaronder dus ook franchiseovereenkomsten, maar ook bij de effectieve, dagdagelijkse uitvoering ervan. Want hoewel de feiten die het Arbeidshof beoordeeld heeft dateren van vóór de invoering van deze criteria, behoudt het arrest zijn relevantie wanneer voormelde criteria aan de feiten getoetst moeten worden.