14/05/2013

Gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs

De Antigoondoctrine

Jarenlang was het een punt van discussie of bewijsstukken die onrechtmatig waren verkregen (bijvoorbeeld n.a.v. een huiszoeking zonder bevel van een onderzoeksrechter) in rechte nog van enige waarde konden zijn. Vooral in strafzaken stelde dit zich. Steevast werd geschermd met art. 15 GW over de onschendbaarheid van de woning, of de artikelen 6 en 8 van het EVRM, respectievelijk het recht op een eerlijk proces en het recht op privacy en onschendbaarheid van de woning. Werd de verdediging in deze argumentatie gevolgd, dan resulteerde dit veelal in de onontvankelijkheid van de strafvordering, of met andere woorden de vrijspraak van de beklaagden wegens gebrek aan bewijs.

Met een arrest van 14 oktober 2003 zorgde het Hof van Cassatie voor een duidelijke(re) lijn. Een bewijs dat met miskenning van een voorgeschreven vorm of procedure is verkregen hoefde niet noodzakelijk te impliceren dat dit bewijs zonder waarde werd. Men diende volgens het Hof eerst in concreto na te gaan of door deze onrechtmatigheid het bewijs minder betrouwbaar was geworden, en of het recht op een eerlijk proces al dan niet onherroepbaar was aangetast. Was dat niet zo, dan was er volgens het Hof van Cassatie geen reden om de bewijskracht af te wijzen. Deze ondertussen als de Antigoondoctrine gekende leer werd inmiddels bevestigd door zowel het Grondwettelijk Hof als het EHRM (Europees Hof van de Rechten van de Mens).

Sindsdien is het in de praktijk zo dat onrechtmatig verkregen bewijs onbruikbaar wordt geacht en dus nietig wordt verklaard (1) wanneer het werd verkregen met miskenning van op straffe van nietigheid voorgeschreven procedures (bijvoorbeeld telefoontap, briefgeheim, edm.), (2) wanneer de betrouwbaarheid van het bewijs is aangetast, bijvoorbeeld omdat verklaringen onder (fysieke) dwang zijn verkregen, of (3) wanneer ze zoals gezegd afbreuk doen aan het recht op een eerlijk proces, als de beklaagde bijvoorbeeld niet de mogelijkheid heeft gekregen op dergelijke bewijsstukken te reageren en ze te betwisten. Eens ze een procedurestuk zijn is er volgens voormeld arrest van het EHRM evenwel betwisting mogelijk en krijgt men dus een eerlijk proces. 

Cassatie 24 april 2013

Ondanks dat deze doctrine al jaren wordt gevolgd, dat er recent zelfs een wetsvoorstel werd ingediend om één en ander in een wettelijke regeling om te zetten, dreigt de Franstalige Kamer van het Hof van Cassatie de Antigoondoctrine op de helling te zetten. Met een arrest van 24 april 2013 oordeelde zij dat een (bewijs)stuk hoe dan ook zijn bewijskracht verliest wanneer het verkregen is met schending van een substantiële vormvereiste die raakt aan de organisatie van hoven en rechtbanken. Frank Schuermans, advocaat-generaal bij het Hof van Beroep te Gent, stelde in de Juristenkrant van 8 mei 2013 de terechte vraag of deze bijkomende voorwaarde wel nodig is, en of ze niet de aanleiding zal zijn tot nieuwe discussies en dus onzekerheid. 

De concrete aanleiding kan nochtans Kafkaiaans genoemd worden. In een onderzoek naar mensenhandel en illegale tewerkstelling in een Brussel hotel in 2008 werd in het kader van de toen nog van toepassing zijnde Arbeidsinspectiewet door de Politierechtbank een zogenaamd “bevel tot visitatie” verleend. Bij deze huiszoeking werden evenwel ook elementen verzameld die betrekking hadden op o.m. mensenhandel, wat evenwel een gemeenrechtelijk misdrijf is waarvoor men strikt gezien dus een huiszoekingsbevel nodig had van de onderzoeksrechter. Voor de beklaagden uiteraard een reden om de nietigheid te bepleiten van de vaststellingen die betrekking hadden op deze laatste tenlasteleggingen.

In toepassing van de Antigoondoctrine ging de Kamer van Inbeschuldigingstelling niet in op dit verzoek. Het Hof van Cassatie doet dit nu echter wel door te oordelen dat wanneer er zoals in deze zaak een gemengd onderzoek moet worden gevoerd, met verschillende organen die elk voor een deel bevoegd zijn (destijds* de politierechter voor de sociaalrechtelijke inbreuken, en de onderzoeksrechter voor de gemeenrechtelijke), men de procedure dient te volgen voor dat orgaan dat de ruimste bevoegdheid heeft (wat in deze de Onderzoeksrechter was), en verder dat wanneer bij miskenning van een vormvereiste die betrekking heeft op de organisatie van de rechtbanken en die substantieel is, de Antigoondoctrine geen soelaas kan bieden.   

Terecht kan de vraag worden gesteld of dergelijke verstrenging van de principes die de laatste 10 jaar werden toegepast niet weer volledig “naar af” is, en meer nog of dit de rechtszekerheid wel ten goede komt. De huiszoeking is naar de vorm misschien niet volledig correct verlopen, maar zonder de concrete omstandigheden van de zaak in detail te kennen lijkt het niet zo dat de betrouwbaarheid van de vaststellingen in vraag kan worden gesteld (immers waren er toch duidelijke aanwijzingen van diverse misdrijven, en bovendien een bevel tot visitatie), of dat de beklaagde geen eerlijk proces zou hebben gekregen. Het feit dat de KI de vaststellingen heeft beoordeeld maakt dat de beklaagde betwisting heeft kunnen voeren.

Met deze rechtspraak is de nood aan een wettelijke regeling alvast des te groter en urgenter geworden, om te vermijden dat na 10 jaar relatieve standvastigheid, de rechtspraak opnieuw verdeeld zou geraken over de principes ter beoordeling van onrechtmatig verkregen bewijs.

Civielrechtelijk

Ook in civielrechtelijke aangelegenheden stelt zich vaak de vraag naar de rechtmatigheid van bewijsstukken. Denken we bijvoorbeeld aan de werkgever die een werknemer op staande voet ontslaat omwille van vaststellingen van ongeoorloofd internetgebruik. Als de voorwaarden van CAO nr. 81 over de controle van het internet- en e-mailverkeer op de werkplaats (zie mijn blogbijdrage van 17/08/2011) niet werden nageleefd is het bekomen bewijs in principe ontoelaatbaar. Of in een handelsrechtelijk geschil worden door een partij stukken voorgelegd die min noch meer ontvreemd zijn aan de wederpartij. Kunnen dergelijke stukken dan wel tegen die wederpartij gebruikt worden?

Ook in dergelijke aangelegenheden was het sinds jaar en dag de regel dat onrechtmatig verkregen bewijs uit de debatten werd geweerd. Sinds de Antigoondoctrine is dit echter ook in civielrechtelijke zaken eerder de uitzondering dan de regel, en wordt veelal dezelfde afweging gedaan als in strafzaken. In een arrest van het EHRM van 3 april 2007 (Copland arrest) werd deze aanpak ten andere ook door Europa erkend. Hoewel zij beklemtoont dat de bescherming van de persoonlijke levenssfeer een fundament is van onze rechtsorde, stelde het EHRM dat een bewijs dat is verkregen met miskenning van dit grondrecht, niet automatisch ontoelaatbaar is.

De kans dat het recente arrest van de Franstalige Kamer van het Hof van Cassatie hier zaken zal veranderen is klein(er). In civielrechtelijke materies zijn er als dusdanig immers niet direct substantiële vormvereisten inzake de organisatie van hoven en rechtbanken die miskend zouden kunnen worden. Desalniettemin kan het ook in civielrechtelijke aangelegenheden nuttig zijn om binnenkort op een uniforme wettelijke regeling te kunnen terugvallen.

* Met de invoeging van de Sociaal Strafwetboek behoort deze bevoegdheid ondertussen ook tot deze van de Onderzoeksrechter.