10/01/2013

Geschillenregeling in vennootschappen: peildatum voor waardering aandelen blijft onzeker

Vennootschappen zijn per definitie een samenwerking van mensen en blijven bijgevolg niet van conflicten verstoken.

Veel van deze conflicten kunnen intern worden opgelost, doordat het gezond verstand van de vennoten bovendrijft en het tot een verzoening komt of doordat interne mechanismen zijn voorzien om conflicten te beëindigen. Ook de toepassing van tal van 'gemeenrechtelijke' hulpmiddelen kan soelaas bieden.

Geschillenregeling: uitsluiting versus uittreding

Maar waar de conflicten tussen aandeelhouders dergelijke proporties aannemen dat zij de werking van de vennootschap verlammen en zelfs dreigen te leiden tot de ontbinding van de vennootschap, werd door de wetgever nog een bijkomende oplossing aangeboden in de zogenaamde geschillenregeling. Deze reglementering werd ingevoerd bij Wet van 13 april 1995 en kan worden toegepast bij conflicten in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (BVBA), in een naamloze vennootschap (NV) die geen publiek beroep doet of heeft gedaan op het spaarwezen, of in een commanditaire vennootschap op aandelen (Comm.VA). Op die basis kunnen, in geval van structurele geschillen tussen de aandeelhouders, één of meerdere van hen het initiatief nemen om een andere vennoot uit te sluiten (uitsluiting) ofwel vragen om zelf uit te treden (uittreding).

De uitsluiting van een vennoot kan worden gevraagd om gegronde redenen door één of meer vennoten die gezamenlijk aandelen bezitten die 30 % vertegenwoordigen van de stemmen verbonden aan het geheel van de bestaande aandelen, of aandelen waarvan de nominale waarde of de fractiewaarde 30 % van het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigt.

Deze drempel geldt niet als een aandeelhouder zelf wil uittreden: iedere vennoot kan om gegronde redenen in rechte vorderen dat zijn aandelen worden overgenomen door de vennoten op wie deze gegronde redenen betrekking hebben.

De toepassing van deze reglementering, die als hét succesnummer inzake conflicten in vennootschappen geldt,  heeft in de praktijk tot een uitgebreide rechtspraak geleid. Niet alleen heeft deze rechtspraak  betrekking op  de concrete inhoud en draagwijdte van het begrip 'gegronde reden' maar al evenzeer op de waardering van de aandelen, in het bijzonder het ogenblik waarop de over te dragen aandelen moeten worden gewaardeerd (peildatum).

Waardering van de aandelen: peildatum

Eenmaal de rechtbank beslist heeft dat aandelen van een vennootschap op grond van een vordering tot uitsluiting of uittreding moeten worden overgedragen, blijft nog de vraag tegen welke prijs dit moet gebeuren. Ook de bepaling van dit element komt toe aan de rechter, die daartoe gebruikelijk een deskundige aanstelt.

De prijs die de rechtbank uiteindelijk zal weerhouden, zal niet alleen afhankelijk zijn van de methode van prijsbepaling maar ook van de peildatum, namelijk de datum die wordt gehanteerd voor de effectieve waardering. Inzake deze peildatum vertoont de rechtspraak geen eenduidige lijn en zeer diverse data werden al in aanmerking genomen, al naargelang de omstandigheden van de zaak: de datum van oprichting van de vennootschap, de datum van het ontstaan van het conflict, de datum van afsluiting van de laatste jaarrekening, de datum waarop de rechtbank de vordering tot uitsluiting of uittreding toekent,...

Het Hof van Cassatie biedt (geen) zekerheid

Een arrest van het Hof van Cassatie van 9 december 2010 (AR C.08.0441.F) leek uitsluitsel - en meer zekerheid - te brengen. Het Hof had geoordeeld dat de waardebepaling van de aandelen moet gebeuren op het ogenblik van de aandelenoverdracht zoals opgelegd door de rechter. Daarbij werd benadrukt dat de waardebepaling moet gebeuren in een perspectief van continuïteit, zonder dat mag rekening worden gehouden met de invloed van het gedrag van partijen op de situatie die tot het instellen van de vordering heeft geleid of op het herstel van de onderneming na het instellen van de vordering.

Hoewel dit arrest enkel betrekking heeft op een vordering tot uitsluiting van een aandeelhouder en het Hof aldus geen uitspraak deed over procedures tot uittreding, en evenmin duidelijk was in hoeverre het Hof een princiepsbeslissing beoogde, was het voor veel auteurs de aanleiding om er een nieuwe, vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie uit af te leiden. Voortaan zou de datum waarop de aandelenoverdracht door de rechtbank werd bevolen, zowel bij uitsluiting als uittreding, als dé enige correcte peildatum gelden.

Niets bleek minder waar. Amper een kleine twee jaar later is het terug naar af, en is de princiepswaarde die het arrest van 9 december 2010 werd toegemeten een illusie gebleken.

In een arrest van 5 oktober 2012 (AR C.11.0398.N) heeft het Hof van Cassatie met betrekking tot een vordering tot uittreding voor de waardering van de aandelen weliswaar opnieuw verwezen naar de datum waarop de overdracht door de rechtbank werd bevolen, maar het Hof aanvaardde tegelijk dat ook de datum van dagvaarding, waarbij de vordering tot uittreding werd ingesteld, als nuttige peildatum kan gelden, rekening houdende met de specifieke omstandigheden van de zaak.

Deze rechtspraak lijkt aldus te impliceren dat een peildatum nog steeds variabel kan worden bepaald in functie van de specifieke elementen van elk afzonderlijk dossier. De datum waarop de rechtbank de overdracht van aandelen beveelt, zou derhalve louter als uitgangspunt fungeren, wat niet wegneemt dat mits motivering eigen aan het dossier afwijkingen van dit principe mogelijk zijn.

De zekerheid die er met het arrest van 9 december 2010 zo enthousiast werd onthaald, is dan ook een illusie gebleken.  En zo blijft de onzekerheid over de prijs van de aandelen, niet alleen omwille van de methode van prijsbepaling maar ook omwille van de benadering inzake de peildatum, de grootste zwakte van de geschillenregeling.