13/10/2016

Herstructureringen in de banksector. Wat met de zelfstandigen?

304_detail.jpg

Na de bankencrisis in 2007 en 2008 staan de banken ook vandaag weer In het middelpunt van de belangstelling. Drastische herstructureringen bij ING en dochter Record Bank, Crelan die klaar staat haar personeelsbestand uit te dunnen en een lage rente in combinatie met een steeds grotere digitalisering van bankdiensten waardoor vroeg of laat ook andere banken maatregelen zullen moeten nemen. Rode draad in heel het verhaal: minder mensen, meer computers en banen die sneuvelen.

Gelukkig voor al die werknemers die hun job verliezen of dreigen te verliezen zijn er CAO 24 en de wet Renault die een wettelijk kader creëren waarin één en ander dient te gebeuren, is er outplacement voor werknemers die aan bepaalde voorwaarden voldoen, zijn er vakbonden die er naar zullen streven om het onderste uit de kan te halen en is er het systeem van werkloosheidsuitkeringen dat voor een financieel vangnet zorgt. Als het van minister Peeters afhangt hebben we binnenkort zelfs een heroriënteringsfonds specifiek voor de bankensector.

Waar er evenwel weinig of niet over wordt gesproken zijn de zelfstandige bankagenten. Niet alle (lokale) bankkantoren zijn eigen kantoren van de banken. Belfius bijvoorbeeld werkt omzeggens uitsluitend met zelfstandige bankkantoren. Lage rentes en een toenemende digitalisering zetten uiteraard ook die structuren steeds meer onder druk. Voor bankagenten bestaat er evenwel geen wettelijk kader waarbinnen collectief onderhandelingen kunnen worden gevoerd, voor hen zijn er geen vakbonden om hun rechten te verdedigen en ook het heroriënteringsfonds voor de bankensector zal wellicht niet opgericht worden met de zelfstandige agenten in gedachten. Waar staan zij als banken een volgende stap zetten in het digitaliseren van hun diensten?

Het antwoord vinden we in Boek X, Titel 1 van het Wetboek Economisch Recht (hierna verkort “WER”), de vroegere handelsagentuurwet van 13 april 1995.  In de initiële tekst van deze wet was nochtans uitdrukkelijk bepaald dat ze niet gold voor bank- en verzekeringsagenten. Pas in 1999 werd dat aangepast. In 2002 oordeelde het Arbitragehof zelfs dat het onderscheid dat in 1995 was gemaakt tussen commerciële handelsagenten en agenten in de bank- en verzekeringssector onwettig was of met andere woorden dat bank- en verzekeringsagenten die in die periode zonder enige vergoeding waren ontslagen, alsnog recht hadden op schadevergoeding.

Is een handelsagentuurovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten of voor bepaalde tijd met de mogelijkheid vroegtijdig op te zeggen en is er geen sprake van ernstige tekortkomingen in hoofde van de bankagent of uitzonderlijke omstandigheden die elke (verdere) professionele samenwerking definitief onmogelijk maken, dan zal de bank als principaal steeds een opzegtermijn moeten respecteren. Die termijn mag in ieder geval niet korter zijn dan één maand per begonnen jaar van de samenwerking met een maximum van 6 maanden (art. X.16.§1 WER). Wordt die termijn niet of niet-volledig gerespecteerd, dan is het verschil verschuldigd onder de vorm van een vervangende opzegvergoeding (art. X.16.§3 WER).

Maakt de bankagent deel uit van het paritair overlegorgaan van de bank dan kan hij in principe niet éénzijdig worden opgezegd, tenzij omwille van ernstige tekortkomingen of op grond van objectieve economische criteria die voor alle agenten op dezelfde wijze worden toegepast. Is geen van beide aan de orde en wordt de verkozen agent toch éénzijdig beëindigd, dan is hen zelfs een bijzondere vergoeding verschuldigd gelijk aan 18 maanden de gebruikelijke vergoeding berekend op basis van het gemiddelde verdiend gedurende de 12 maanden voorafgaand aan de beëindiging, dit onverminderd de andere rechten die uit de beëindiging voortvloeien (art. X.16.§4 iuncto art. X.16.§3 WER).

Op enkele uitzonderingen na (bvb. opnieuw beëindiging omwille van ernstige tekortkomingen in hoofde van de bankagent) heeft de bankagent bovenop een opzegtermijn of -vergoeding recht op een uitwinnings- of cliënteelvergoeding wanneer hij de bank nieuwe cliënten heeft aangebracht of de omzet met het bestaande cliënteel aanzienlijk heeft uitgebreid en dit de bank nog aanzienlijke voordelen kan opleveren. Die vergoeding kan oplopen tot maximaal één jaar de gebruikelijke vergoeding die wordt berekend op basis van het gemiddelde van de 5 voorafgaande jaren (art. X.18 WER). Let op, de bankagent moet de bank uiterlijk één jaar na de beëindiging laten weten dat hij daar aanspraak op maakt (art. X.18 laatste lid WER).

Minder bekend is dat een handels- of bankagent die opgezegd wordt en recht heeft op een uitwinningsvergoeding ook aanspraak kan maken op vergoeding voor schade die niet volledig door de uitwinningsvergoeding is gedekt (bijkomende vergoeding, zie art. X.19 WER). Te denken valt aan investeringen die hij op vraag van de ank heeft gedaan in functie van specifieke software, inrichting van het bankkantoor, bepaalde insignes, edm., met andere woorden zaken die voor die agent geen waarde meer hebben eens hij niet meer onder het insigne van zijn bank of principaal werkt. Ook vergoedingen aan derden zoals personeel of onderaannemers kunnen daar onder vallen.