28/01/2015

Het (finaal en facultatief) verrekenbeding … een gemiste kans voor het Hof van Cassatie?

In een arrest van 31 oktober 2014 kreeg het Hof van Cassatie de kans om zich (eindelijk) uit te spreken over de gevolgen op het vlak van de successierechten van een (facultatief) verrekenbeding. Een kans die het Hof thans schijnbaar door de vingers liet glippen...

Het verrekenbeding is gekend. Het wordt vaak ingelast in een huwelijkscontract van onder scheiding van goederen gehuwde echtgenoten en heeft tot doel om de huwelijksvermogensrechtelijke solidariteit die in geval van een scheidingsstelsel wordt doorbroken, in meer of mindere mate te herstellen.

Er zijn verschillende redenen waarom echtgenoten huwen onder een stelsel van scheiding van goederen (bijv. uit schuldeisersbescherming omdat de beroepsactieve echtgenoot een risicovolle professionele beroepsactiviteit uitoefent). Het stelsel brengt tussen de echtgenoten weliswaar een vermogensrechtelijke breuk met zich mee: iedere echtgenoot behoudt wat hem of haar zelf toekomt (zo ook zijn of haar beroepsinkomsten en de besparingen daarop).

Niet zelden wordt dit als onbillijk ervaren, in het bijzonder wanneer een van de echtgenoten niet gaat werken om in te staan voor de huishouding en de zorg en opvoeding van de kinderen. Deze echtgenoot verwerft dan geen of minder beroepsinkomsten (en bouwt dito minder pensioenrechten op). Om de huwelijkse solidariteit tussen de echtgenoten in geval van ontbinding van het huwelijk (bijv. door overlijden) enigszins te herstellen, kan in het huwelijkscontract een verrekenbeding worden ingelast.

Zonder in de technische details daarvan te treden, komt het beding er veelal op neer dat de echtgenoten wel gehuwd blijven onder een scheidingsstelsel maar dat er bij ontbinding van het stelsel tussen hen wordt ‘afgerekend' alsof zij waren gehuwd onder een gemeenschapsstelsel. Op die manier participeren beide echtgenoten in de globale vermogensaangroei van het echtpaar en geniet de economisch zwakkere echtgenoot mee van de vermogensaangroei van de economisch sterkere echtgenoot. Eerstgenoemde bekomt dan een, weze louter verbintenisrechtelijke, vordering op laatstgenoemde. Hoe en wanneer er wordt afgerekend, kunnen de echtgenoten weliswaar vrij bepalen.

Tot bepaalde grenzen wordt bovendien verdedigd dat dit beding in hoofde van de langstlevende echtgenoot civielrechtelijk als huwelijksvoordeel en niet als schenking kwalificeert. Vermits bovendien de vordering van de langstlevende in de regel als een schuld in het passief van de nalatenschap van de eerststervende wordt opgenomen, zijn tot beloop van deze vordering op de nalatenschap ook geen successierechten verschuldigd.

Nadat zowel de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen als het Hof van Beroep te  Antwerpen dit principe hadden bevestigd, bleef de fiscus moeilijk doen en aanvaardde zij niet dat de schuld als een passiefpost van de nalatenschap zou worden ingebracht. 

In casu werd in het huwelijkscontract een optioneel finaal verrekenbeding voorzien, waarbij de langstlevende echtgenoot de keuze maar niet de verplichting had om, geheel facultatief en vrijblijvend, een vordering ten aanzien van het vermogen van de eerststervende echtgenoot te laten gelden (ten bedrage van maximaal de nettowaarde van alle goederen van dit vermogen op datum van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel). In de aangifte van nalatenschap werd een gelijke schuld in het passief van de nalatenschap opgenomen.

In voormeld arrest kon het Hof van Cassatie zich voor het eerst uitspreken over de successierechtelijke implicaties van een dergelijk verrekenbeding. 

In een uiterst summier arrest brengt het Hof vooreerst in herinnering dat krachtens artikel 27, eerste lid W.Succ. en behoudens de begrafeniskosten, enkel de op de dag van het overlijden bestaande schulden van de overledene als passief met betrekking tot de nalatenschap van een Rijksinwoner mogen worden aangemerkt. Vervolgens stelt het Hof dat vermits de appelrechters hebben geoordeeld dat ‘de verrekenschuld pas ontstond op het moment dat de verweerder na de ontbinding van het huwelijk door overlijden van zijn echtgenote besliste om de vordering voortkomende uit het verrekenbeding te laten gelden en niet eerder', er niet zonder schending van artikel 27, eerste lid W.Succ. kon worden geoordeeld dat ‘geen enkele wettelijke bepaling verhindert dat de schuld uit het finaal verrekeningsbeding als passief in de nalatenschap wordt aanvaard.' Het arrest werd vernietigd en de zaak werd verwezen naar het Hof van Beroep te Gent.

De vraag is thans welke draagwijdte aan dit arrest van het Hof van Cassatie moet worden gegeven. Het Hof lijkt immers zelf geen oordeel te hebben geveld en uitspraak te hebben gedaan over de successierechtelijke implicaties van een (facultatief) verrekenbeding. Het hoogste rechtscollege lijkt daarentegen enkel op een contradictio in terminis in het bestreden arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen te willen wijzen: indien de appelrechters oordelen dat ‘de verrekenschuld pas ontstond (...) na de ontbinding van het huwelijk', kan niet zonder schending van artikel 27, eerste lid W.Succ. worden aangenomen dat de schuld moet worden opgenomen in het passief van de nalatenschap. Over de vraag of de verrekenschuld effectief pas ontstaat ná ontbinding van het huwelijk, en dus of de appelrechters het bij het rechte eind hadden of niet, lijkt het Hof zich evenwel niet onmiddellijk te hebben uitgesproken, minstens kan dit niet met zekerheid uit het arrest worden afgeleid.

In zijn conclusie voorafgaand aan het arrest van het Hof van Cassatie, stelde het Openbaar Ministerie dat het betreffende middel, m.n. dat de appelrechters hebben vastgesteld dat de verrekenschuld nog niet bestond op het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap, op een verkeerde lezing van het bestreden arrest berustte en bijgevolg feitelijke grondslag miste. Het Openbaar Ministerie verdedigde verder het standpunt dat uit de samenhang van de artikelen 27 en 135, 4° W.Succ. volgt dat ook schulden die op datum van het overlijden niet zeker en definitief zijn, toch als passief van de nalatenschap kunnen worden aanvaard ingeval deze schulden voortvloeien uit een verbintenis die op datum van overlijden bestaat, maar slechts actueel worden door een voorwaarde of voorval die intreedt na het overlijden. De omstandigheid dat de verrekenschuld pas ná ontbinding van het huwelijk zou ontstaan, zou niet impliceren dat de schuld geen ‘bestaande schuld' is in de zin van artikel 27 W.Succ. Het Openbaar Ministerie besloot dat de verrekenschuld ontstaat zodra het beding wordt opgenomen in het huwelijkscontract en niet slechts bij het werkelijk uitoefenen van de optie door de langstlevende echtgenoot, en dat minstens vanaf de opname van het verrekenbeding in het huwelijkscontract er een eventuele schuld ontstaat die in aanmerking komt in het aanneembaar passief.

Op geen van deze elementen is het Hof van Cassatie in haar arrest evenwel ingegaan. Het lijkt alsof het Hof zelf geen uitspraak heeft willen doen maar eerder heeft willen wijzen op een tegenstrijdigheid in het bestreden arrest. Dit is toch een gemiste kans voor ons hoogste rechtscollege om met betrekking tot de aangehaalde problematieken een aantal duidelijke standpunten in te nemen. Het is dan ook afwachten welke weg het Hof van Beroep te Gent, alwaar de zaak is naar verwezen, zal inslaan.