27/02/2015

Het Grondwettelijk Hof vernietigt belasting op omzetting aandelen aan toonder

In een arrest van 5 februari 2015 (BS 27 februari 2015) heeft het Grondwettelijk Hof de wettelijke bepalingen met betrekking tot de belastingheffing op de omzetting van effecten aan toonder in gedematerialiseerde effecten of in effecten op naam vernietigd. De omzettingstaks werd ingevoerd door de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen en bedroeg 1% ingeval de omzetting werd gerealiseerd in de loop van 2012 en 2% ingeval de omzetting werd gerealiseerd in de loop van 2013.

Met de wet van 14 december 2005 werd met ingang van 1 januari 2008 een verbod opgelegd tot het uitgeven en feitelijk afleveren van nieuwe effecten aan toonder. Benevens een omzetting van rechtswege van bepaalde effecten aan toonder in gedematerialiseerde effecten dienden de andere bestaande effecten aan toonder uiterlijk op 31 december 2013 te worden omgezet hetzij in effecten op naam (rechtstreeks bij de uitgevende vennootschap) hetzij in gedematerialiseerde effecten (door inschrijving op een effectenrekening).

Om te vermijden dat vele vennootschappen de omzetting zouden uitstellen tot op het laatste ogenblik, voorzag de wetgever in een aantal incentives om eerder tot de omzetting te besluiten. Concreet werd er op de omzetting van de titels een taks ingevoerd die 1% bedroeg voor omzettingen gerealiseerd in 2012 en 2% voor omzettingen gerealiseerd in 2013.

In antwoord op een prejudiciële vraag van het Grondwettelijk Hof in het kader van een verzoek tot vernietiging van voormelde wetgevende bepalingen, oordeelde het Europees Hof van Justitie in een arrest van 9 oktober 2014 dat de Belgische belasting op de omzetting van reeds uitgegeven aandelen aan toonder in effecten op naam of in gedematerialiseerde effecten strijdig is met artikel 5, lid 2, sub a, van richtlijn 2008/7/EG van de Raad van 12 februari 2008 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal. Deze bepaling verbiedt elke indirecte belasting, in welke vorm ook, op (onder meer) de uitgifte van aandelen. Volgens het Hof van Justitie valt ook de omzetting onder de uitgifte van aandelen. De belasting kon evenmin worden verantwoord op grond van artikel 6 van deze richtlijn dat in een aantal uitzonderingen voorziet.

Gelet op het voorgaande riepen de wetgevende bepalingen overigens ook een niet te verantwoorden verschil in het leven tussen:

a) zij die hebben ingeschreven op effecten op naam of gedematerialiseerde effecten, die het voordeel genieten van het verbod tot het heffen van indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, enerzijds, en zij die hebben ingeschreven op effecten aan toonder die niet het voordeel van het voormelde verbod genieten, anderzijds;

b) zij die hun effecten aan toonder vóór 1 januari 2012 hebben omgezet, die het voordeel van het voormelde verbod genieten,enerzijds, en zij die hun effecten aan toonder niet vóór die datum hebben omgezet, die niet het voordeel van dat verbod genieten, anderzijds.

Met zijn arrest van 5 februari 2015 heeft het Grondwettelijk Hof in navolging van het arrest van het Europees Hof van Justitie besloten dat de aangevochten wetgevende bepalingen dienen te worden vernietigd.

Een en ander opent perspectieven naar een terugvordering van (zo blijkt nu) onterecht betaalde belastingen. De taks was verschuldigd:

a) door de tussenpersonen van beroep wanneer de titels aan toonder waren ingeschreven op een effectenrekening ten gevolge van een neerlegging door de houder;

b) door de uitgevende vennootschap wanneer de titels waren neergelegd met het oog op een omzetting in effecten op naam.

Het is nog onduidelijk of ook de houders zelf van omgezette effecten een procedure in terugvordering kunnen opstarten. In ieder geval verdient het aanbeveling dat de financiële instelling of de vennootschap die de belasting was verschuldigd, zo snel als mogelijk een procedure in terugvordering opstart.

Een rechtsvordering tot terugbetaling van diverse rechten en taksen verjaart na afloop van twee jaar vanaf de dag waarop de rechtsvordering is ontstaan. Zij die de omzetting hebben gerealiseerd in 2013 kunnen dus eventueel nog op grond van deze bepaling de terugvordering van de betaalde belasting opeisen. Zij die te laat zijn, kunnen een beroep daartoe instellen binnen de zes maanden na de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof in het Belgisch Staatsblad. Deze termijn loopt dus tot 27 augustus 2015.