06/09/2014

Hoe Lambik voor een ruimere invulling van de parodie in het auteursrecht heeft gezorgd

In een arrest van 03/09/2014 heeft het Europese Hof van Justitie het auteursrechtelijk begrip 'parodie' nader uitgelegd. De aanleiding voor dit arrest was een geschil tussen enerzijds de erfgenamen van striptekenaar Willy Vandersteen en anderzijds Vlaams Belang-politicus J. Deckmyn.

In een parodie op de cover van het Suske en wiske-album De Wilde Weldoener verving de Vlaams Belangpoliticus het strippersonage Lambik door huidig Gents burgemeester Daniël Termont, die geld uitstrooit aan gesluierde en gekleurde personen.

Aangezien een beeld meer zegt dan 1000 woorden:

De erfgenamen van W. Vandersteen waren evenwel not amused, en spanden een stakingsvordering in tegen de verantwoordelijke uitgever van de spotprent.

Het parodie-begrip

De parodieëxceptie is een wettelijke uitzondering op de rechten van een auteur. Via deze uitzondering is het mogelijk, zonder dat een auteur daar zijn voorafgaande toestemming moet geven of een vergoeding kan eisen, om een auteurswerk te reproduceren - met de nodige aanpassingen - zodat het kan dienen als een parodie. Hiermee heeft de wetgever een evenwicht willen vinden tussen enerzijds de rechten van de auteur en fundamentele rechten van derden, zoals het recht op vrije meningsuiting.

Het parodiebegrip is opgenomen in zowel art. 22, §1, 6° Auteurswet - vanaf 01/01/2015 wordt dit art. XI.190, 10° Wetboek Economisch recht - als in art. 5.3, k) van de Europese Richtlijn 2001/29/EG inzake de harmonisatie van het auteursrecht en naburige rechten in de informatiemaatschappij:

"Art. 22. § 1. Wanneer het werk op geoorloofde wijze openbaar is gemaakt, kan de auteur zich niet verzetten tegen: 

[...]

6° een karikatuur, een parodie of een pastiche, rekening houdend met de eerlijke gebruiken;"

Omdat de wettelijke invulling van de parodieëxceptie nihil is, heeft de rechtspraak doorheen de jaren een aantal criteria ontwikkeld m.o.o. de toetsing van een parodie aan de parodieëxceptie in de auteurswet. Er is volgens die rechtspraak pas sprake van een rechtsgeldige parodie indien

  1. het werk getuigt van een eigen oorspronkelijkheid
  2. het een vorm van kritiek bevat op het originele werk
  3. een humoristisch of ironisch karakter heeft
  4. geen verwarring met het oorspronkelijke werk/auteur veroorzaakt
  5. niet hoofdzakelijk of louter is gecreëerd met een commercieel doel
  6. niet hoofdzakelijk of louter is gecreëerd met de intentie om schade toe te brengen aan het oorspronkelijke werk.
Daarnaast is er een ultieme bovengrens: 7. het morele recht op integriteit. Een parodie mag nooit de eer of de goede naam van de oorspronkelijke auteur aantasten of zijn werk 'verminken'. Er moet dan ook rekening gehouden worden met de goede humor en 'welvoegelijkheid'.

In toepassing van deze voorwaarden heeft het hof van beroep te Antwerpen in 2006 geoordeeld dat de Nijntje/Lijntje-parodie in het toenmalige maandblad Deng niet aan al deze voorwaarden voldeed. Volgens het hof mist de gebruikte tekening originaliteit en zijn er meer elementen overgenomen dan voor parodie noodzakelijk is. Bovendien was het hof van oordeel dat de tekening niet werd aangewend om te spotten met het werk van de originele auteur. Bovendien was het hof de mening toegedaan dat de denigrerende voorstelling van Nijntje de eer en de reputatie van Dick Bruna schond en daarmee een inbreuk uitmaakte  op zijn morele rechten:



Om diezelfde redenen werden in het verleden ook de auteurs van verschillende erotische/pornografische versies van stripreeksen veroordeeld wegens inbreuk op de auteursrechten. De rechtbank oordeelde telkens dat de pikante versies van (kinder)strips onmogelijk onder het parodiebegrip kunnen vallen. De auteur van 'Pommeke' - Jommeke, maar dan anders... - hield er zelfs een voorwaardelijke gevangenisstraf aan over.

Het mag duidelijk zijn dat deze invulling van het parodiebegrip zeer stringent is: voornamelijk de voorwaarden van eigen originaliteit (dus voldoende verschil tussen origineel en parodie), alsook de voorwaarde dat een parodie een vorm van kritiek moet bevatten op het oorspronkelijke werk zelf, laat voor de parodist weinig manoeuvreerruimte. 

Het parodiebegrip 2.0

Het arrest van 03/09/2014 van het Hof van Justitie heeft een niet-onbelangrijke impact op voormelde, door de Belgische rechtspraak gevormde criteria. In zijn arrest oordeelde het Hof immers dat de wezenlijke kenmerken van een parodie erin bestaan dat:

  1. een bestaand werk wordt nagebootst doch met duidelijke verschillen met het bestaande werk, en
  2. aan humor wordt gedaan of de spot wordt gedreven, maar
  3. het begrip „parodie" dient niet 
    1. een ander, eigen oorspronkelijk karakter te vertonen dan louter duidelijke verschillen met het geparodieerde oorspronkelijke werk,
    2. redelijkerwijze aan een andere persoon dan de auteur van het oorspronkelijke werk zelf te kunnen worden toegeschreven, 
    3. betrekking te hebben op het oorspronkelijke werk zelf of 
    4. de bron van het geparodieerde werk te vermelden.
  4. een rechtvaardig evenwicht in acht moet worden genomen tussen, enerzijds, de belangen en rechten van auteur en, anderzijds, de vrije meningsuiting van de gebruiker van een beschermd werk die zich op de parodieëxceptie beroept.
Deze Europese invulling van het parodiebegrip geeft de parodist een grotere bewegingsvrijheid. De bovendrempel van de de eer of de goede naam van de oorspronkelijke auteur blijf behouden (punt 4 in de EU-invulling), maar de vereisten van
  • eigen originaliteit (het Hof spreekt van 'nagebootst met duidelijke verschillen', wat m.i. tot een minder strigente toetsing moet leiden dan 'eigen originaliteit');
  • kritiek op het werk zelf
  • geen verwarring met het oorspronkelijke werk/auteur
komen in de interpretatie die het hof aan het parodiebegrip geeft, niet langer voor. Dit betekent een gevoelige verruiming van het parodiebegrip.

Ook het verbod van het commerciële karakter van de parodie en het verbod op schadeberokkenende parodieën lijkt niet herhaald, maar dit valt m.i. wel te lezen onder het 'rechtvaardig evenwicht' onder punt 4.

En aangezien het Hof heeft geoordeeld dat begrip „parodie" een autonoom Unierechtelijk begrip is, dient deze interpretatie te worden doorgevoerd in alle 28 landen van de EU.


Conclusie

Deze nieuwe invulling van de parodieëxceptie biedt geen vrijgeleide aan de parodist, maar geeft hem wel meer bewegingsvrijheid.

Of de Wilde Weldoender van het Vlaams belang al dan niet als parodie kan worden beschouwd, zal moeten worden beslist door het hof van beroep te Brussel*. Het Hof zal daarbij moeten nagaan of 1.) de formele vereisten van deparodieëxceptie zijn vervuld en 2.) of het gerechtvaardigd evenwicht tussen enerzijds de auteursrechthebbende en anderzijds de vrije meningsuiting van de gebruikers van de parodie, hier in acht werd genomen. In de praktijk kan evenwel vastgesteld worden dat het kleven aan bestaande auteurs(werken) van ideologische overtuigingen waarmee de oorspronkelijke auteur zich niet kan verzoenen, meestal in het nadeel van de parodist wordt beoordeeld.

In ieder geval is dit m.i. geen gemakkelijke afweging, die andermaal bewijst dat rechtszekerheid een begrip is dat zeer schaars gezaaid is als het over de toetsing van de parodieëxceptie gaat.

_______________________

* Het Europees Hof van Justitie oordeelt enkel over de invulling en interpretatie van het Europees recht, maar doet niet zelf een uitspraak over de feiten. Daartoe stuurt het Hof de zaak voor beoordeling terug naar de oorspronkelijke rechtbank, i.c. het Brusselse hof van beroep.