10/06/2013

Journalistiek of laster en eerroof?

Recent oordeelde de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven dat Humo-journalist Jan Antonissen geen fouten had gemaakt bij de reactie van zijn artikelenreeks "DSK in Vlaanderen, 20 jaar seksuele intimidatie". Voormalig CD&V-senator, ex-journalist, woordvoerder van Cercle Brugge en communicatieadviseur voor N-VA Pol Van Den Driessche, die de hoofdrol speelde in de kwestieuze artikelenreeks, spande vorig jaar een procedure aan tegen Antonissen wegens laster en eerroof. Onterecht, nu blijkt; de vordering werd afgewezen en de journalist is Van Den Driessche geen schadevergoeding verschuldigd.

Maar kan een journalist dan zomaar alles op papier zetten over een al dan niet bekende Vlaming zonder enige verantwoording te moeten afleggen? Het antwoord is eenvoudig - 'neen' - doch de toepassing van de juridische principes is in de praktijk minder evident.

Wie het slachtoffer wordt van laster en eerroof in een journalistiek artikel, heeft een eerder ruim aantal actiemogelijkheden: er bestaat een klachtprocedure voor de Raad van de Journalistiek, er kan een correctionele klacht met burgerlijke partijstelling worden neergelegd voor de onderzoeksrechter en het slachtoffer kan de verantwoordelijke voor de geleden schade dagvaarden voor de burgerlijke rechtbank in een civielrechtelijke procedure (art. 1382 BW).

Geschillen tussen kranten/journalisten en de in het artikel in kwestie geviseerde persoon betreffen een confrontatie tussen twee fundamentele grondrechten: het recht op vrije meningsuiting enerzijds en het recht op integriteit en privacy anderzijds. De moderne rechtspraak, met het Europees Hof van de Rechten van de Mens op kop, staat dan ook zeer terughoudend om journalisten of media te veroordelen voor aantijgingen tegen publieke personen. De rechtspraak wenst daarbij een slippery slope effect te vermijden waarbij de vrije meningsuiting en aldus de 'waakhondfunctie' van de pers al te veel aan banden wordt gelegd.

Daarbij erkent het Europees Hof bovendien dat journalisten mogen provoceren en overdrijven, als dat dient om een signaal te geven of mensen wakker te schudden. De loutere vaststelling dat een persartikel kwetsend en choquerend is - dit is mede een gevolg van het recht op vrije meningsuiting - leidt dan ook niet automatisch tot een beroepsaansprakelijkheid.

Slechts wanneer de journalist bij het uitoefenen van zijn recht op vrije meningsuiting een fout of grove nalatigheid heeft begaan, kan er sprake zijn van een schending van laatstgenoemd recht. De Rechtbank spreekt zich daarbij niet (rechtstreeks) uit over het waarheidsgehalte van het betrokken artikel, maar over de manier waarop het artikel tot stand gekomen is. Een dergelijk beroepsfout geeft aanleiding tot een schadevergoeding. Zulke fouten kunnen zijn:

  • Onvoldoende verifiëren van (de geloofwaardigheid van) getuigen;
  • De feitelijke basis van verklaringen onvoldoende checken en dubbelchecken;
  • Het niet confronteren of om een wederwoord vragen van de persoon omtrent wie het artikel gaat;
  • Enz.

In het dossier van Pol Van Den Driessche stelde de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven vast dat  21 vroegere medewerksters van Van Den Driessche over ongewenste seksuele intimiteiten vertelden en allemaal iets gelijkaardigs zegden. Daarbij vond de Rechtbank het 'opmerkelijk' dat Van Den Driessche geen klacht indiende tegen de getuigen, maar uitsluitend tegen de journalist. Verder had de journalist aan Van Den Driessche om een reactie gevraagd vóór de publicatie van het artikel. Tot slot vormde de verwijzing in de titel naar Dominique Strauss-Kahn voor de Rechtbank evenmin een probleem: Van Den Driessche staat immers niet bekend als pleger van verkrachtingen of aanrandingen, en dergelijke insinuaties bleken evenmin uit het artikel.

Bijgevolg oordeelde de Rechtbank dat, rekening houdend met het grote aantal getuigen en de andere aangebrachte bewijzen, journalist Jan Antonissen er enkel kon van uitgaan dat zijn verhaal klopte. Daarbij stelde de Rechtbank eveneens vast dat het niet bewezen is dat de getuigen niet de waarheid spraken. De schadeclaim van € 625.000,00 tegen journalist Jan Antonissen werd afgewezen als ongegrond, en Van Den Driessche moet opdraaien voor de gerechtskosten.

Tot slot nog het volgende: in voormelde zaak werd de journalist, en niet de uitgeverij of de redactie van Humo voor de rechter gedaagd. Het zou niet meer dan logisch zijn om deze laatsten, zeker in een civielrechtelijke procedure, ook in de rechtzaak te betrekken, minstens omwille van hun grotere financiële draagkracht. Bovendien is het door de band de uitgever die de winsten binnenrijft uit het gepubliceerde (onrechtmatige) artikel.

Alleen bepaalt art. 25 Grondwet uitdrukkelijk dat "Wanneer de schrijver bekend is en zijn woonplaats in België heeft, kan de uitgever, de drukker of de verspreider niet worden vervolgd.". Op deze manier wenste de grondwetgever in 1830 de drukpersvrijheid beschermen. Alleen leidt dit artikel er op heden toe dat de uitgever niet kan worden vervolgd voor beroepsfouten van één van haar journalisten. Enkel indien een eigen, afzonderlijke fout kan worden aangetoond in hoofde van uitgever - bijv. wanneer de uitgever de inhoud mee heeft helpen te bepalen of, wetende dat het artikel dubieus is, toch een doorgedreven promotiecampagne opzet - kan deze laatste ook aansprakelijk worden gesteld.