01/11/2013

Meer beëindigingsvergoedingen onderworpen aan RSZ-bijdragen

Het Koninklijk Besluit van 24 september 2013 (1) vormt een nieuw onderdeel uit de reeks antifraudemaatregelen die de regering Di Rupo heeft uitgewerkt. Met dit KB worden bijna alle beëindigingsvergoedingen - vergoedingen uitbetaald naar aanleiding van het einde van een arbeidsovereenkomst - vanaf 1 oktober 2013 aan socialezekerheidsbijdragen onderworpen. Op die manier hoopt de regering de praktijken te ontmoedigen waarbij in het kader van onderhandelingen naar aanleiding van een ontslag beëindigingsvergoedingen zodanig werden gekwalificeerd zodat er geen socialezekerheidsbijdragen op verschuldigd waren.

Voor 1 oktober 2013

Op bedragen die een werknemer naar aanleiding van de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst ontvangt, zijn in beginsel socialezekerheidsbijdragen verschuldigd.

Bepaalde en behoorlijk veel beëindigingsvergoedingen vormden echter belangrijke uitzonderingen op dit principe. Het betreft onder meer:

  • de schadevergoeding die een werkgever verschuldigd is wanneer deze zijn wettelijke, contractuele of statutaire verplichtingen niet nakomt (bv. vergoeding bij willekeurig ontslag of bij ontslag van een zwangere werknemer);
  • de uitwinningsvergoeding die een handelsvertegenwoordiger toekomt;
  • de vergoeding in het kader van een niet-concurrentieclausule die na het einde van de arbeidsovereenkomst wordt onderhandeld.

Na 1 oktober 2013

Met ingang van 1 oktober 2013 wordt een nieuwe definitie van het socialezekerheidsrechtelijke loonbegrip gehanteerd, wat tot gevolg heeft dat quasi alle beëindigingsvergoedingen voortaan aan socialezekerheidsbijdragen zullen onderworpen zijn, en dus ook alle vergoedingen die hierboven werden opgesomd.

Slechts enkele vergoedingen, die uitdrukkelijk werden gedefinieerd, ontspringen alsnog de dans. Het betreft: 

  • de sluitingsvergoeding die wordt toegekend aan werknemers in geval van sluiting van de onderneming, ten belope van het bedrag dat bij wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen is vastgesteld;
  • de vergoeding verschuldigd in geval van collectief ontslag overeenkomstig CAO nr. 10 van 8 mei 1973 betreffende het collectief ontslag;
  • de vergoeding ingeval van willekeurig ontslag van een arbeider, op voorwaarde dat dit recht is ontstaan voor 1 januari 2014; Deze vergoeding zal in het kader van het nakende eenheidsstatuut, dat met ingang van 1 januari toepassing zal vinden, wellicht afgeschaft worden.
  • de vergoeding ingevolge een niet-concurrentiebeding, op voorwaarde dat dit beding werd gesloten buiten een termijn van twaalf maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst.

Deze nieuwe regeling is van toepassing op alle vergoedingen die worden toegekend naar aanleiding van een ontslag na 30 september 2013.

Vergoedingen toegekend aan voor 1 oktober 2013 ontslagen werknemers vallen slechts onder de nieuwe regeling indien het recht op die vergoedingen definitief erkend wordt door een rechterlijke uitspraak of een dading na 30 september 2013. Alle andere vergoedingen toegekend vanaf 1 oktober 2013 aan werknemers die voor 1 oktober 2013 werden ontslagen, vallen wél nog onder de oude regeling.

 


 

(1) KB van 24 september 2013 tot wijziging van artikel 19 van het KB van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, B.S. 27 september 2013.