29/10/2012

Minimale kosten in verhouding tot de prijs levert agressieve handelspraktijk op.

Op 18/10 ll. wees het Europees Hof van Justitie, in de zaak C‑428/11, een arrest naar aanleiding van een prejudiciële vraag gesteld door het Court of Appeal (England and Wales) uit het Verenigd Koninkrijk, aangaande de juiste interpretatie van Bijlage I bij de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken.

Artikel 8 van voornoemde Richtlijn heeft het immers over agressieve handelspraktijken als volgt:

"Als agressief wordt beschouwd een handelspraktijk die, in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden in aanmerking genomen, door intimidatie, dwang, inclusief het gebruik van lichamelijk geweld, of ongepaste beïnvloeding, de keuzevrijheid of de vrijheid van handelen van de gemiddelde consument met betrekking tot het product aanzienlijk beperkt of kan beperken, waardoor hij ertoe wordt gebracht of kan worden gebracht over een transactie een besluit te nemen dat hij anders niet had genomen."

De bijlage geeft op zijn beurt een lijst van handelspraktijken die onder alle omstandigheden als oneerlijk worden beschouwd, waaronder:

"Een product als "gratis", "voor niets", "kosteloos" en dergelijke omschrijven als de consument iets anders moet betalen dan de onvermijdelijke kosten om in te gaan op het aanbod en het product af te halen dan wel dit te laten bezorgen."

"De bedrieglijke indruk wekken dat de consument al een prijs heeft gewonnen of zal winnen dan wel door een bepaalde handeling te verrichten een prijs zal winnen of een ander soortgelijk voordeel zal behalen, (...) als het ondernemen van stappen om in aanmerking te kunnen komen voor de prijs of voor een ander soortgelijk voordeel afhankelijk is van de betaling van een bedrag door de consument of indien daaraan voor hem kosten zijn verbonden."

In andere bewoordingen, wordt hier verder de contouren geschetst van het gelijkluidend artikel 94, 8° van onze Belgische Wet Marktpraktijken (die de omzetting is van voornoemde Richtlijn).

Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat deze bepaling(en) alsdusdanig moeten worden geïnterpreteerd dat zij agressieve praktijken verbieden waarbij handelaars de valse indruk wekken dat dat de consument reeds een prijs heeft gewonnen, terwijl het opeisen van de prijs onderhevig is aan het betalen van een zekere geldsom of het maken van kosten. Dit zelfs indien deze kosten minimaal zijn in verhouding tot de waarde van de prijs en/of de handelaar geen voordeel opleveren.

Het Hof van Justitie haalt daarbij het voorbeeld aan van een prijs bestaande uit een gratis cruise, waarbij de winnaar evenwel nog zelf de nodige verzekeringen diende af te sluiten, havenbelastingen diende te vereffenen alsook onkosten diende te maken voor het eten en drinken dat niet was inbegrepen.

De vraag die zich daarbij onmiddellijk stelt, is of het Hof van Justitie die bepaling(en) niet te strikt heeft geïnterpreteerd in het nadeel van de consument. Het is immers niet ondenkbeeldig dat ondernemingen - deze voorwaarden in acht genomen - minder geneigd zullen zijn om bijvoorbeeld gratis reizen aan te bieden. Immers, lijkt een reisje naar de Dominicaanse Republiek met half-pension zonder taxirit naar de luchthaven, op het eerste gezicht alvast niet meer tot de mogelijkheden te behoren.

Het is bijzonder jammerlijk dat het Hof van Justitie niet heeft geoordeeld dat minimale kosten geen beletsel zijn, indien zij duidelijk en op voorhand worden gecommuniceerd in het wedstrijdreglement of bij de inontvangstname van de prijs.