09/02/2013

Misbruik van de Wet Continuïteit Ondernemingen (W.C.O.)

De Wet Continuïteit Ondernemingen werd in 2009 gelanceerd als ‘opvolger' van de Wet op het Gerechtelijk Akkoord (W.G.A.) van 1997. Een laagdrempelige instap en een éénvoudigere procedure om opschorting van schulden te bekomen, moesten de slaagkansen van een bedrijf (in tijdelijke) moeilijkheden aanzienlijk doen toenemen. Drie jaar na de inwerkingtreding van de wet, is de vaststelling dat meer dan 70% van de bedrijven die een opschorting van schulden heeft genoten, reeds tijdens de periode van de bescherming of kort na afloop ervan, uiteindelijk toch de boeken moet neerleggen. Voor een groot stuk is de (nieuwe) wet dus zijn doel voorbij geschoten.

Voor een deel is dit te wijten aan het feit dat de (nieuwe) W.C.O.-reglementering nog relatief onbekend is, of dat tot voor kort in elk geval was. Het is pas sinds dat enkele grote namen zoals Alfacam, O'Cool, Ijsboerke, Landgraaf, edm. in een W.C.O.-procedure zitten, en zij in dat verband op enige media-aandacht kunnen -of mogen- rekenen, dat de procedure wat beter gekend is. Vaak wacht men ook te lang om de bescherming aan te vragen, en zijn de middelen op dat ogenblik al zodanig geslonken dat de noodzakelijke herstructurering financieel niet meer haalbaar is. De voornaamste oorzaak van de uiteindelijk toch vrij lage slaagcijfers, is evenwel de lage instap, want uiteraard de deur openzet voor misbruiken.

De enige voorwaarde om een bescherming onder toepassing van de W.C.O. te kunnen vragen is dat de continuïteit van uw vennootschap bedreigd moet zijn, dat er m.a.w. een risico is dat zonder een tijdelijke opschorting van betalingsverplichtingen van reeds ontstane schulden, geen betalingen meer kunnen worden gedaan en bijgevolg ook de activiteiten zullen stilvallen. Wanneer door verliezen, het netto-actief is gedaald tot minder dan de helft van het eigen vermogen (de zgn. alarmbelprocedure, art. 633 W. Venn.) dan is er zelfs een wettelijk vermoeden dat de continuïteit is bedreigd (art. 23, al. 3 W.C.O.). Zelfs virtueel failliete ondernemingen kunnen in principe bescherming vragen (art. 23, al. 5 W.C.O.).

Het ligt voor de hand dat dergelijke laagdrempeligheid opportuniteiten creëert voor ondernemers die beslagen willen afwentelen of afhouden, of die nog vlug een aantal bevriende schuldeisers willen betalen. Terecht doen rechters daarom steeds vaker toch wel een summier onderzoek naar hoe reëel de overlevingskansen zijn, en wordt een verzoek tot bescherming geweigerd als overduidelijk is dat de continuïteit onder geen enkel beding behouden of gered kan worden (Beroep Antwerpen 27/07/2009; Koophandel Antwerpen 05/01/2010; Koophandel Tongeren 25/05/2009), of omdat een vennootschap op de been werd gehouden door een kunstmatig krediet van de enige aandeelhouder (Koophandel Nijvel, 17/01/2011).

Directe aanleiding voor deze bijdrage is evenwel een recent gepubliceerd vonnis van de Rechtbank van Koophandel van Leuven, waarbij het verzoek tot opening van de procedure werd afgewezen om reden dat er volgens de Rechtbank geen sprake meer was van werkelijke economische activiteiten, en de procedure enkel tot doel had een uitvoerend beslag te dwarsbomen (Koophandel Leuven, 14 mei 2012). Nochtans was er wel degelijk nog een activiteit, meer bepaald de verhuring van een onroerend goed dat eigendom was van het bedrijf, en dat er dus klaarblijkelijk voor zorgde dat nog inkomsten werden gegenereerd. Waarom precies werd dan het verzoek afgewezen?

Uit nader onderzoek door de gedelegeerd rechter, die de Rechtbank adviseert over de toelaatbaarheid, was gebleken dat het onroerend goed werd verhuurd aan een andere vennootschap, maar dat deze vennootschap dezelfde zaakvoerder had als de verzoekende vennootschap. Bovendien was er klaarblijkelijk geen huurcontract en kon ook uit geen enkel ander stuk of document worden afgeleid welke de precieze voorwaarden en modaliteiten waren van deze verhuring, en of ze effectief wel in een recurrent inkomen kon voorzien. De gedelegeerd rechter had ook niet kunnen vaststellen dat er bij de verzoeker en deze andere vennootschap grote economische activiteiten waren die beschermd konden of moesten worden.

Nu daarboven bleek dat de kredietverstrekker reeds uitvoerend beslag had gelegd op het onroerend goed in kwestie, en dat de openbare verkoop was gepland om door te gaan enkele dagen na neerlegging van het verzoek om toegelaten te worden tot de procedure van gerechtelijke reorganisatie (W.C.O.), heeft de Rechtbank van Koophandel te Leuven terecht geoordeeld dat het verzoek klaarblijkelijk enkel was neergelegd met de bedoeling de procedure van uitvoerend beslag van het kwestieus onroerend goed te dwarsbomen, dat dit misbruik uitmaakt en dat bijgevolg de procedure van gerechtelijke reorganisatie niet kan worden geopend.