17/06/2015

Onwettig bewijs niet voor iedereen even onwettig

In een sindsdien veel besproken arrest van 22 mei 2015 oordeelde het Hof van Cassatie dat voor het vaststellen van een belastingschuld en voor het opleggen van een verhoging of een boete, de fiscale wetgeving “geen algemene bepaling bevat die het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs verbiedt”. Tenzij wanneer de wetgever in bijzondere sancties zou voorzien, en mits twee nuanceringen waarover verder meer, is het thans dus principieel toelaatbaar om in fiscale zaken onrechtmatig verkregen bewijsstukken te gebruiken (http://jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20150522-8).

Daarmee gaat het Hof van Cassatie nog een stap verder dan wat sinds haar Antigoon arrest van 14 oktober 2003 de gangbare praktijk was inzake onrechtmatig verkregen bewijs. Een bewijs dat onrechtmatig werd verkregen is sindsdien niet noodzakelijk zonder waarde. Volgens de Antigoon doctrine wordt een onrechtmatig verkregen bewijs enkel onbruikbaar geacht (1) wanneer het is verkregen met miskenning van op straffe van nietigheid voorgeschreven procedures (bijvoorbeeld telefoontap, briefgeheim, edm.), (2) wanneer de betrouwbaarheid van het bewijs is aangetast, bijvoorbeeld omdat verklaringen onder (fysieke) dwang zijn verkregen, of (3) wanneer het afbreuk doen aan het recht op een eerlijk proces, als de partij tegen wie het wordt gebruikt bijvoorbeeld niet de mogelijkheid heeft gekregen op dergelijke bewijsstukken te reageren en ze te betwisten. Voornamelijk in strafzaken is dat aan de orde, maar ook in civiele aangelegenheden wordt deze doctrine veelal gevolgd.

In 2013 neigde het Hof naar een verstrenging. Met een arrest van 24 april 2013 oordeelde zij dat “een (bewijs)stuk hoe dan ook zijn bewijskracht verliest wanneer het verkregen is met schending van een substantiële vormvereiste die raakt aan de organisatie van hoven en rechtbanken.” Specifiek ging het in over een onderzoek naar illegale tewerkstelling in een Brussels hotel in 2008. In het kader van de toen nog van toepassing zijnde Arbeidsinspectiewet werd door de Politierechtbank een zogenaamd “bevel tot visitatie” verleend. Bij deze huiszoeking werden evenwel ook gegevens gevonden die betrekking hadden op o.m. mensenhandel, wat evenwel een gemeenrechtelijk misdrijf is waarvoor een bevel tot visitatie van de Politierechtbank niet volstaat, maar waarvoor men een werkelijk huiszoekingsbevel nodig heeft van de onderzoeksrechter. Voor de beklaagden een reden om de nietigheid te bepleiten van de vaststellingen die betrekking hadden op mensenhandel. Tot in graad van beroep was men daar in toepassing van de Antigoon doctrine niet op ingegaan. Het Hof van Cassatie deed dat finaal dus wel. Met de bewijsstukken met betrekking tot mensenhandel mocht geen rekening worden gehouden.

Met haar recente arrest van 22 mei 2015 lijkt het Hof van Cassatie het roer terug volledig in de andere richting om te gooien. Vooralsnog beperkt tot fiscale aangelegenheden stelt het Hof nu dat zelfs al werd een bepaald bewijsstuk met miskenning van een voorgeschreven procedure of vormvoorschrift bekomen, dit stuk toch als een volwaardig bewijs geldt. Een onrechtmatig verkregen bewijs kan volgens dit recente arrest enkel nog geweerd worden (1) indien het is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijke overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht, of (2) indien dit gebruik het recht van de belastingplichtige op een eerlijk proces in het gedrang brengt.

Terecht wordt in fiscale middens gevreesd dat deze nuanceringen onvoldoende tegengewicht zullen bieden voor de vrijgeleide die de fiscale administratie principieel krijgt. Is bijvoorbeeld het recht op eerlijk proces geschonden omdat ter gelegenheid van een huiszoeking in het kader van (en dus beperkt tot) mensenhandel een zwarte boekhouding wordt gevonden en de fiscale administratie op basis daarvan de belastingplichtige de rekening presenteert? In feite niet; de belastingplichtige zal zich tijdens zijn proces immers wel degelijk omtrent de inhoud van dat stuk kunnen verdedigen. Zijn rechten van verdediging zijn dus niet miskend. In het Copland arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens van 3 april 2007 werd dat trouwens reeds uitdrukkelijk bevestigd.

Veel moeilijker te beoordelen is evenwel de eerste nuancering: “indien het is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijke overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht”.  Mag men van een diligente overheid immers niet verwachten dat zij effectief alle middelen aanwendt om fraudeurs op te sporen en te vervolgen en zo in tijden van crisis de staatskas te spijzen? De correcte belastingbetaler zal dat in ieder geval toch wel verwachten. Zijn het niet de fraudeurs die moeten betalen, dan wordt het bij een volgende belastingronde immers vermoedelijk hij of zij.

Dat deze nuanceringen maar weinig concreet zijn en dat het Hof van Cassatie met dat arrest de deur openzet voor heel ruime mogelijkheden voor de fiscale administratie lijkt maar moeilijk tegen te spreken. Nog meer dan voorheen is er nu nood aan een wettelijke regeling inzake onrechtmatig verkregen bewijs.