10/04/2013

Registratierechten op vonnissen en arresten

"Bestolen vrouw belast op de buit" blokletterde De Standaard op 9 april 2012. Een vrouw van wie voor 1,4 miljoen Euro aandelen aan toonder werden gestolen, moet 25.000,00 Euro daarvan afstaan aan de fiscus omdat de veroordeelde daders, die tot teruggave en schadevergoeding werden veroordeeld, onvermogend zijn. Men zou voor minder twee keer nadenken alvorens een procedure te starten.

Procederen is altijd wel een gok. De uitkomst is per definitie onzeker, en sinds 2007 zijn bovendien de rechtplegingsvergoedingen aanzienlijk verhoogd. Afhankelijk van de inzet van de procedure riskeert de partij die ongelijk krijgt zodoende voor 82,50 Euro tot maximaal 33.000,00 Euro (vorderingen boven 1 miljoen Euro) te moeten bijdragen in de procedurekosten die de andere partij heeft moeten maken. Maar zelfs al wordt men wel in het gelijk gesteld, en krijgt men zelf een rechtplegingsvergoeding toegekend, dan nog is het mogelijk dat men niet volledig wordt vergoed en zelfs nog moet betalen...

Het Wetboek van Registratie-, hypotheek en griffierechten (W. Reg.) bepaalt immers dat op vonnissen en arresten die betrekking hebben op geschillen over sommen en roerende waarden, en waarin een veroordeling wordt uitgesproken van meer dan 12.500,00 Euro, een registratierecht verschuldigd is van 3% (artt. 35, 142 en 143 W. Reg.). Boeten of veroordelingen tot het betalen van onderhoudsgeld vallen daar niet onder, evenmin als kort geding beschikkingen en vonnissen resp. arresten van arbeidsrechtbanken en -hoven.

Terwijl deze volgorde niet bij wet is vastgelegd richten de registratiediensten zich in principe steeds eerst tot de partij die in het ongelijk is gesteld. Is deze insolvabel of weigert hij/zij te betalen dan richt men zich evenwel tot de in het gelijk gesteld partij. Zo kan het dus inderdaad voorkomen dat men over de hele lijn gelijk krijgt, dat de wederpartij tot betaling van x aantal Euro wordt veroordeeld maar niet kan betalen, dat men het bekomen vonnis of arrest dus niet ten volle kan 'verzilveren', en dat men dan bovendien ook nog eens moet opdraaien voor de registratierechten.

Bedoeld om het gerechtelijk systeem te financieren en verder in stand te houden, heeft de wetgever dus voorzien in een gedeelde aansprakelijkheid tot betaling van de registratierechten, met evenwel een dubbele beperking: (1) men kan als in het gelijk gestelde partij maar tot betaling van de registratierechten gehouden zijn in de mate waarin men effectief betaling heeft bekomen, en (2) het maximum dat de fiscus aan deze partij ten laste kan leggen is de helft van hetgeen hij of zij effectief van de veroordeelde partij heeft ontvangen (art. 35 W. Reg.).

Houd er bovendien rekening mee dat het registratierecht verschuldigd is, ook al tekent men bijvoorbeeld verzet of hoger beroep. Zelfs al werkt een hoger beroep principieel schorsend (tenzij het eerste vonnis uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard), de registratierechten zullen hoe dan ook reeds verschuldigd zijn. Enkel wanneer een eerdere beslissing door een latere geheel of gedeeltelijk vernietigd of hervormd wordt, kunnen betaalde registratierechten geheel of gedeeltelijke teruggegeven worden (art. 210 W. Reg.).