Vierdelige opleidingscyclus actualia vermogensrecht (opleiding 4)
11/12/2018, 17u30

De hervorming van de erfbelasting. Wijzigingen na de hervorming van het erfrecht en evaluatie op vlak van successieplanning. Een analyse.

Carine Esprit, B-Minus

De aanpak van de advocaten bij Bright is veel meer dan rechtsbijstand alleen. Bright begeleidt...

19/05/2015

Sneller en goedkoper onbetwiste schulden innen

In een eerste stap tot uitvoering van zijn Justitieplan van 18 maart 2015 presenteerde Minister Koen Geens op 8 mei 2015 zijn Voorontwerp van wet houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht. Onder meer wordt daarin een voorstel geformuleerd om sneller en goedkoper de betaling te kunnen bekomen van niet-betwiste facturen of schulden. Nadat een aantal jaren gelden al het Europees Betalingsbevel werd ingevoerd om de invordering ten aanzien van buitenlandse schuldenaren te vergemakkelijken, zou het voortaan mogelijk worden om zelfs zonder enige rechtelijke tussenkomst tot invordering te kunnen overgaan van niet-betwiste schulden. Vooral de gerechtsdeurwaarder lijkt daarin een belangrijke rol te zullen spelen.

Hoeveel schuldenaren betalen hun facturen nog binnen de vervaltermijn die er op is vermeld? In ieder geval heel wat minder dan pakweg 15 jaar geleden. De economische crisis van de voorbije jaren is daar uiteraard niet vreemd aan. Voor veel handelaars en ondernemingen was het vechten om te overleven en vervaldagen negeren en zichzelf op deze manier uitstel van betaling (of de facto een goedkoop krediet) toekennen was en is een veel gebruikt middel. Niet weinig wordt die praktijk finaal evenwel de doodsteek van de schuldeiser. Achterstallige betalingen zijn inderdaad één van de belangrijkste oorzaken van faillissementen. Terecht dus dat de Minister het optreden tegen dergelijke praktijken makkelijker en goedkoper wil maken.

Met het oog op een snellere inning van niet-betwiste schulden (facturen) en om te vermijden dat een schuldenaar binnen het gerechtelijk apparaat nog langer de mogelijkheden vindt om zijn schuldeiser vele jaren te laten wachten op zijn of haar geld, zal voortaan vermoedelijk de gerechtsdeurwaarder de belangrijkste actor worden in het invorderingsproces. Een gerechtsdeurwaarder kan nu al op basis van niet-betwiste facturen, zonder rechtelijke tussenkomst, tot beslag onder derden (vb. op een bankrekening van de schuldenaar) overgaan, als het van Minister Geens afhangt zal hij voortaan -na de advocaat van de schuldeiser- ook de eerste rechter zijn om over de grond van zaak te kunnen oordelen.

In het voorstel van Minister Geens zal de gerechtsdeurwaarder inderdaad de eerste onafhankelijke persoon zijn die zich uitspreekt over het al dan niet-betwiste karakter van de schuldvordering. Is hij van oordeel dat een schuldvordering niet-betwist is, dan zal hij zelf bij een centrale autoriteit die daarvoor zal worden opgericht machtiging kunnen vragen (op elektronische wijze) om zelf een uitvoerbare titel af te mogen leveren en daarmee meteen de invordering op te starten. De gerechtsdeurwaarder zal ook diegene zijn die een afbetalingsplan onderhandelt en opstelt, en die op de naleving daarvan zal nazien om desgevallend alsnog tot effectieve tenuitvoerlegging over te gaan.

De nieuwe regeling moet in het voordeel zijn voor zowel de schuldenaar, de schuldeisers als justitie zelf. De kosten van dergelijke vereenvoudigde procedure zullen ongetwijfeld lager zijn dan van een klassieke rechterlijke invordering. Als deze finaal ten laste komen van de schuldenaar is dat dus in zijn of haar voordeel. De schuldeiser zal vooral weten te appreciëren dat de aanpak sneller tot resultaat leidt. Gelet op de nalatigheidsintresten kan dat dan trouwens ook weer een voordeel zijn voor de schuldenaar, die niet alleen de kosten maar ook de intresten minder hoog ziet oplopen. Justitie zelf wordt tot slot ontheven van heel wat dossiers, wat evident de snelheid van andere procedures ten goede moet komen en wat er (op lange termijn) bovendien toe zou moeten leiden dat de gerechtelijke achterstand sneller weggewerkt wordt. Een win-win dus voor iedere betrokkene. En ontstaat er naar aanleiding van de invordering alsnog betwisting, dan blijft de rechterlijke macht nog steeds een optie.