22/04/2013

Verbod op verkoop met verlies in strijd met het Europees recht

Eén van de belangrijkste richtlijnen inzake handelspraktijken - i.e. elke commerciële gedraging van een handelaar - is de Richtlijn Oneerlijke handelspraktijken (ROH). De ROH roept in Europa een geharmoniseerde regeling in het leven inzake handelspraktijken die (mede) de bescherming van consumenten tot doel hebben (B2C). Op basis van de ROH kunnen Europese lidstaten, waaronder België, in hun wetgeving geen strengere regels in het leven roepen dan deze die zijn voorzien in de ROH. Doen zij dat wel, dat moet de rechter dergelijke strengere regels buiten beschouwing late.

Het Belgisch consumenten- en marktrecht - in het bijzonder de Wet Markpraktijken en Consumentenbeschemring (WMPC) - is in grote mate geïnspireerd door het Europees recht. De afgelopen decennia vaardigde Europa immers diverse richtlijnen uit die hun weerslag hebben op het nationaal recht van de lidstaten, en zodoende ook het Belgisch recht.

Op basis van de ROH sneuvelde in 2009, ingevolge het zogenaamde VTB-VAB-arrest, reeds het toenmalige Belgische verbod op de koppelverkoop. Dit was overigens mee de aanleiding tot de stemming en goedkeuring van de nieuwe WMPC in 2010. Sindsdien besliste het Hof van Justitie van de EU eveneens dat de Belgische regeling omtrent de sperperiode (weliswaar onder de oude wet van vóór 2010) ook in strijd is met de ROH. Ook het Belgische Hof van Cassatie oordeelde in 2012 in die zin.

Artikel 101 WMPC heeft betrekking op de verkoop met verlies: het artikel verbiedt elke handelaar om een goed met verlies te verkopen. Dit verbod betreft enkel de verkoop van goederen en niet het verlenen van diensten. Bovendien kent het diverse uitzonderingen (solden, uitverkoop, goederen vatbaar voor snel bederf, enz.; art. 102 WMPC). Reeds in 2010, bij het stemmen van de nieuwe WMPC, stelde de Belgische rechtspraak zich al de vraag of het verbod op verkoop met verlies kon worden gehandhaafd. Aangezien de regel (minstens mede) de bescherming van de consument beoogt (B2C) en de ROH geen dergelijk verbod toelaat, was men van oordeel dat het verbod inzake verkoop met verlies in strijd is met de ROH.

Thans volgt ook het Europese Hof van Justitie die zienswijze. In een arrest van het Hof van Justitie van 07/03/2013 bevestigde het Hof, in lijn met zijn eerdere rechtspraak, dat ook het Belgische verbod inzake verkoop met verlies (art. 101 WMPC) de toets met de ROH niet doorstaat:

"dat de richtlijn oneerlijke handelspraktijken aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale bepaling als aan de orde in het hoofdgeding die een algemeen verbod behelst om goederen met verlies te koop aan te bieden of te verkopen, voor zover deze bepaling de bescherming van de consument beoogt." 

Dit arrest betreft een antwoord op een prejudiciële vraag van de Gentse Rechtbank van Koophandel. De enige omstandigheid waarin de Gentse Rechtbank van Koophandel m.i. nog zou kunnen beslissen dat het verbod op de verkoop met verlies niet in strijd zou zijn met het EU-recht, is door te oordelen dat het verbod op verkoop in verlies uitsluitend een B2B-relatie beoogt. Doch zowel het Hof van Justitie als de Belgische rechtsleer zijn van mening dat het verbod in kwestie zowel B2B- als B2C-relaties beoogt (o.m. door op die manier 'lokvogelaccties' t.a.v. consumenten te verhinderen). En in dat laatste geval is het verbod op verkoop met verlies in de Belgische wet... verboden door het Europees recht.