05/09/2013

Verliest men in de toekomst zijn aanspraken in de groepsverzekering van zijn ex-echtgenoot?

Het is al enige tijd bekend dat de regering bezig is met een hervorming van ons huwelijksvermogensrecht. Op 20 augustus 2013 werd ook een wetsontwerp daartoe in de Kamer van Volksvertegenwoordigers ingediend.

Hoewel het ontwerp een grondige wijziging van diverse aspecten van het huwelijksvermogensrecht voorstelt, springt vooral de herziening van de regels inzake de levensverzekeringen in het oog. Concreet wordt daarbij voorgesteld om een onderscheid te maken tussen individuele levensverzekeringen enerzijds en aanvullende pensioenen anderzijds.

Ik zet hierna de belangrijkste krachtlijnen uiteen.

  • Individuele levensverzekeringen

Wat de individuele levensverzekeringen betreft, was het vooral uitkijken naar het standpunt dat de regering zou innemen met betrekking tot gemengde levensverzekeringen, meer in het bijzonder in geval van echtscheiding.

Sinds een arrest van het Grondwettelijk Hof van 26 mei 1999 wordt immers vrij unaniem aangenomen dat uitkeringen van gemengde levensverzekeringen (onderschreven door een in gemeenschap gehuwde echtgenoot en voor zover de premies met gemeenschappelijke gelden werden betaald) toevallen aan het (tussen de echtgenoten bestaande) gemeenschappelijk vermogen.

In geval van echtscheiding en indien op dat ogenblik het verzekeringscontract nog niet tot uitkering is gekomen, wordt in de lijn daarmee aangenomen dat de afkoopwaarde van de verzekeringspolis toevalt aan het gemeenschappelijk vermogen en dus toebehoort aan beide echtgenoten ieder voor de helft. Dit betekent dat de echtgenoot-verzekeringnemer bij echtscheiding er toe gehouden is om de helft van de afkoopwaarde te vergoeden aan zijn gewezen echtgenoot, terwijl hij zelf op dat ogenblik de verzekeringsprestaties nog niet heeft ontvangen.

De regering heeft deze praktijk nu bevestigd. De verrekening van gemengde polissen moet onmiddellijk gebeuren en kan niet worden uitgesteld tot een later ogenblik (bijv. het ogenblik waarop de polis tot uitkering komt). Indien deze regel standhoudt en echtgenoten hiervan wensen af te wijken, zal wellicht een afwijkende bepaling in het huwelijkscontract aangewezen zijn.

  • Aanvullende pensioenen

Bijzondere aandacht is daarnaast geboden voor wat de aanvullende pensioenen betreft (d.i. de zgn. "tweede pijler"). Het gaat daarbij om individuele en collectieve pensioentoezeggingen ten gunste van werknemers, om pensioentoezeggingen op het niveau van de onderneming of de sectoren als om individuele en collectieve pensioentoezeggingen voor bedrijfsleiders en zelfstandigen (bijv. het VAPZ).

Hoewel zou mogen worden aangenomen dat ook deze inkomsten integraal gemeenschappelijk zijn (vermits zij beroepsinkomsten vervangen en beroepsinkomsten in een gemeenschapsstelsel automatisch tot de gemeenschap behoren), neemt de regering ter zake toch een afwijkend standpunt in.

De inkomsten die tijdens het huwelijk als gevolg van dergelijke producten worden uitgekeerd, zouden toevallen aan de gemeenschap en dus toekomen aan beide echtgenoten, ieder voor de helft. Maar in geval van echtscheiding zouden de verdere aanspraken (d.i. de aanspraken die aan het contract kunnen worden ontleend en die betrekking hebben op de periode ná echtscheiding) exclusief en individueel toekomen aan de pensioengerechtigde echtgenoot zelf. De andere echtgenoot zou in dat geval bij relatiebreuk geen rechten meer kunnen putten uit deze contracten, althans niet voor wat de periode ná echtscheiding betreft.

Ook groepsverzekeringen zouden onder dezelfde kam worden geschoren. De betalingen die tijdens het huwelijksstelsel zijn verschuldigd, zouden toebehoren aan de gemeenschap; de betalingen die ná echtscheiding zijn verschuldigd, zouden exclusief toekomen aan de pensioengerechtigde echtgenoot. 

Omdat deze regeling in bepaalde situaties aanleiding kan geven tot onbillijke situaties (bijv. in het geval een van de echtgenoten haar loopbaan ter zijde heeft geschoven om in te staan voor de huishouding en de opvoeding van de kinderen en aldus geen volwaardige pensioenrechten heeft kunnen opbouwen tijdens het huwelijk), wordt voorgesteld om de criteria voor de toekenning van de onderhoudsuitkering na echtscheiding te herzien. Zo zou de rechter die over een vraag tot onderhoudsuitkering uitspraak moet doen, voortaan ook rekening kunnen houden met de rustpensioenrechten die iedere echtgenoot tijdens het huwelijk wel of niet heeft kunnen opbouwen (hieronder niet alleen de wettelijke pensioenrechten begrepen, maar ook de extralegale pensioenrechten)

Of een en ander voldoende bescherming biedt aan de echtgenoot van de pensioengerechtigde echtgenoot, is nog maar de vraag en zal wellicht nog aanleiding geven tot hoogoplopende discussies.

05/09/2013

Verliest men in de toekomst zijn aanspraken in de groepsverzekering van zijn ex-echtgenoot?

Het is al enige tijd bekend dat de regering bezig is met een hervorming van ons huwelijksvermogensrecht. Op 20 augustus 2013 werd ook een wetsontwerp daartoe in de Kamer van Volksvertegenwoordigers ingediend.

Hoewel het ontwerp een grondige wijziging van diverse aspecten van het huwelijksvermogensrecht voorstelt, springt vooral de herziening van de regels inzake de levensverzekeringen in het oog. Concreet wordt daarbij voorgesteld om een onderscheid te maken tussen individuele levensverzekeringen enerzijds en aanvullende pensioenen anderzijds.

Ik zet hierna de belangrijkste krachtlijnen uiteen.

  • Individuele levensverzekeringen

Wat de individuele levensverzekeringen betreft, was het vooral uitkijken naar het standpunt dat de regering zou innemen met betrekking tot gemengde levensverzekeringen, meer in het bijzonder in geval van echtscheiding.

Sinds een arrest van het Grondwettelijk Hof van 26 mei 1999 wordt immers vrij unaniem aangenomen dat uitkeringen van gemengde levensverzekeringen (onderschreven door een in gemeenschap gehuwde echtgenoot en voor zover de premies met gemeenschappelijke gelden werden betaald) toevallen aan het (tussen de echtgenoten bestaande) gemeenschappelijk vermogen.

In geval van echtscheiding en indien op dat ogenblik het verzekeringscontract nog niet tot uitkering is gekomen, wordt in de lijn daarmee aangenomen dat de afkoopwaarde van de verzekeringspolis toevalt aan het gemeenschappelijk vermogen en dus toebehoort aan beide echtgenoten ieder voor de helft. Dit betekent dat de echtgenoot-verzekeringnemer bij echtscheiding er toe gehouden is om de helft van de afkoopwaarde te vergoeden aan zijn gewezen echtgenoot, terwijl hij zelf op dat ogenblik de verzekeringsprestaties nog niet heeft ontvangen.

De regering heeft deze praktijk nu bevestigd. De verrekening van gemengde polissen moet onmiddellijk gebeuren en kan niet worden uitgesteld tot een later ogenblik (bijv. het ogenblik waarop de polis tot uitkering komt). Indien deze regel standhoudt en echtgenoten hiervan wensen af te wijken, zal wellicht een afwijkende bepaling in het huwelijkscontract aangewezen zijn.

  • Aanvullende pensioenen

Bijzondere aandacht is daarnaast geboden voor wat de aanvullende pensioenen betreft (d.i. de zgn. "tweede pijler"). Het gaat daarbij om individuele en collectieve pensioentoezeggingen ten gunste van werknemers, om pensioentoezeggingen op het niveau van de onderneming of de sectoren als om individuele en collectieve pensioentoezeggingen voor bedrijfsleiders en zelfstandigen (bijv. het VAPZ).

Hoewel zou mogen worden aangenomen dat ook deze inkomsten integraal gemeenschappelijk zijn (vermits zij beroepsinkomsten vervangen en beroepsinkomsten in een gemeenschapsstelsel automatisch tot de gemeenschap behoren), neemt de regering ter zake toch een afwijkend standpunt in.

De inkomsten die tijdens het huwelijk als gevolg van dergelijke producten worden uitgekeerd, zouden toevallen aan de gemeenschap en dus toekomen aan beide echtgenoten, ieder voor de helft. Maar in geval van echtscheiding zouden de verdere aanspraken (d.i. de aanspraken die aan het contract kunnen worden ontleend en die betrekking hebben op de periode ná echtscheiding) exclusief en individueel toekomen aan de pensioengerechtigde echtgenoot zelf. De andere echtgenoot zou in dat geval bij relatiebreuk geen rechten meer kunnen putten uit deze contracten, althans niet voor wat de periode ná echtscheiding betreft.

Ook groepsverzekeringen zouden onder dezelfde kam worden geschoren. De betalingen die tijdens het huwelijksstelsel zijn verschuldigd, zouden toebehoren aan de gemeenschap; de betalingen die ná echtscheiding zijn verschuldigd, zouden exclusief toekomen aan de pensioengerechtigde echtgenoot. 

Omdat deze regeling in bepaalde situaties aanleiding kan geven tot onbillijke situaties (bijv. in het geval een van de echtgenoten haar loopbaan ter zijde heeft geschoven om in te staan voor de huishouding en de opvoeding van de kinderen en aldus geen volwaardige pensioenrechten heeft kunnen opbouwen tijdens het huwelijk), wordt voorgesteld om de criteria voor de toekenning van de onderhoudsuitkering na echtscheiding te herzien. Zo zou de rechter die over een vraag tot onderhoudsuitkering uitspraak moet doen, voortaan ook rekening kunnen houden met de rustpensioenrechten die iedere echtgenoot tijdens het huwelijk wel of niet heeft kunnen opbouwen (hieronder niet alleen de wettelijke pensioenrechten begrepen, maar ook de extralegale pensioenrechten)

Of een en ander voldoende bescherming biedt aan de echtgenoot van de pensioengerechtigde echtgenoot, is nog maar de vraag en zal wellicht nog aanleiding geven tot hoogoplopende discussies.