28/12/2012

WCO: in welke mate kan men de fiscus en RSZ 'achterstellen' in het reorganisatieplan?

Om bedrijven in moeilijkheden te behoeden voor een faillissement werd in 1997 de Wet op het Gerechtelijk Akkoord (W.G.A.) ingevoerd. Een tijdelijke opschorting van schulden en de aanstelling van een commissaris inzake opschorting moesten bijdragen tot de herstructurering van bedrijven in moeilijkheden, met de bedoeling ze opnieuw gezond en rendabel te maken en op deze manier een doorstart mogelijk te maken. Vaststelling in de praktijk was evenwel dat dit slechts in een minderheid van de gevallen lukte. In januari 2009 werd de W.G.A. daarom afgevoerd en vervangen door de Wet op de Continuïteit van Ondernemingen (W.C.O.).

Terwijl de W.C.O.-wet andere mogelijkheden voorziet (bewarende maatregelen, buitengerechtelijk akkoord, gerechtelijk minnelijk akkoord, overdracht onder gerechtelijk gezag, edm.), wordt een W.C.O. meestal aangevraagd met het oog op een gerechtelijke reorganisatie van schulden of een collectief akkoord. In dergelijk scenario wordt er naar gestreefd om met alle schuldeisers tot een akkoord te komen over een reorganisatie van de schulden. In de praktijk komt dit er op neer dat de onderneming in moeilijkheden een reorganisatieplan opmaakt en daarbij aan elk van haar schuldeisers een voorstel doet om de schuld te "regelen" door middel van bijvoorbeeld kwijtschelding van een deel en een aflossingsplan voor het saldo. 

Dit reorganisatieplan zal vervolgens het voorwerp uitmaken van een stemming. Om gestemd en dus goedgekeurd te worden moet het plan een dubbele meerderheid halen. Het reorganisatieplan wordt geacht goedgekeurd te zijn wanneer de meerderheid van de schuldeisers die aan de stemming deelnemen (met de afwezige of niet bij volmacht vertegenwoordigde schuldeisers wordt dus geen rekening gehouden!), die samen de helft van alle in hoofdsom verschuldigde bedragen vertegenwoordigen, voor stemmen, en wanneer het vervolgens door de Rechtbank wordt gehomologeerd. De homologatie kan evenwel slechts geweigerd worden omwille van niet-naleving van pleegvormen of wegens schending van de openbare orde.

Gedifferentieerde regeling

Precies dit laatste speelt veelal een rol bij de regeling die de onderneming in moeilijkheden voorziet omtrent haar schulden aan fiscus en RSZ. Waar deze onder W.G.A. nog als buitengewone of bevoorrechte schuldeisers werden beschouwd, heeft de wetgever hun rechtspositie thans gelijk geschakeld aan deze van een gewone schuldeiser. Waar in de W.C.O.-wet is voorzien dat buitengewone schuldeisers integraal moeten worden terugbetaald (eventueel uitgesteld, art. 50 W.C.O.-wet), geldt dit dus niet voor de schulden aan fiscus en RSZ, en kunnen zij aldus in het reorganisatieplan een schuldvermindering in zowel intresten als kapitaal opgelegd krijgen. 


Als het mogelijk is om in een gedifferentieerde regeling te voorzien voor verschillende categorieën van (gewone) schuldeisers (vb. strategische schuldeisers nodig voor de verdere continuïteit; niet-strategische schuldeisers; aandeelhouders en verbonden ondernemingen; fiscus en RSZ), is het voor een onderneming in moeilijkheden zeer verleidelijk om fiscus en RSZ een zo groot mogelijke schuldvermindering op te leggen. Aandeelhouders, kapitaalverstrekkers, leveranciers, edm. heeft men immers (dagdagelijks) nodig in functie van de continuïteit van de onderneming; fiscus en RSZ daarentegen niet. Vanuit een economisch standpunt zeker verdedigbaar, maar vraag is of het ook juridisch zomaar kan?

De opdeling van de gewone schuldeisers in verschillende categorieën, en de gedifferentieerde regeling voor elk van hen is al meermaals het onderwerp geweest van een juridische discussie. Dikwijls gaat het dan bovendien om de fiscus of de RSZ aan wie effectief een grote, veelal de grootste schuldvermindering wordt opgelegd. Zowel het Hof van Cassatie als het Grondwettelijk Hof hebben ondertussen evenwel geoordeeld dat een gedifferentieerde regeling weliswaar kan, maar dat de indeling redelijk en verantwoord moet zijn, en dat niet zonder meer van één bepaalde schuldeiser of categorie van schuldeisers, een buitenproportionele of onredelijke inspanning kan worden gevraagd. De ongelijke behandeling van schuldeisers moet verantwoord worden door de aard en het doel van de maatregel (Hof van Cassatie, 30 juni 2011; Grondwettelijk Hof, 18 januari 2012).

In een vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen van 22 februari 2012, recent gepubliceerd in het Rechtskundig Weekblad, werd de homologatie bijvoorbeeld geweigerd in het geval waarin de totale schuldvermindering € 321.255,82 bedroeg, waarvan € 160.477,59 ten laste van de RSZ werd gelegd. In aanmerking genomen dat de strategische schuldeisers tot 80% van hun schuld toegekend kregen, de kleine schuldeisers (tot € 1.000,00) zelfs 100% en de schuldeisers tot € 25.000,00, 50%, was er volgens de Rechtbank geen enkele redelijke verantwoording voor de drastische vermindering van de vordering van de RSZ. Het argument dat ook de schuldeisers met vorderingen tot € 25.000,00 50% dienden in te leveren werd niet weerhouden, nu het volgens de Rechtbank om niet te vergelijken bedragen ging.

 Eind juni 2011 (net voor het voormelde principearrest van het Hof van Cassatie 30 juni 2011) volgde het Hof van Beroep te Antwerpen een gelijkaardige redenering in verband met een reorganisatieplan waarbij de schuldvordering van de fiscus met 90% werd verminderd, terwijl de schuldvorderingen van de overige schuldeisers met slechts 10% werden verminderd. Finaal zou de fiscus zodoende 60% van de totale schuldvordering dragen, tegenover 40% door de overige schuldeisers samen. Ook hier werd geoordeeld dat er geen redelijke verantwoording was voor dit buitenproportionele verschil in behandeling, en werd het reorganisatieplan, hoewel bij meerderheid goedgekeurd, niet gehomologeerd.

Werd bijvoorbeeld wel aanvaard en dus gehomologeerd, het reorganisatieplan dat de schuldeisers opdeelde in drie categorieën, en voorzag in een uitbetaling van de fiscus voor 50% van haar schuldvordering, de RSZ voor 10% en de overige schuldeisers voor 60%. Hoewel er hier op het eerste zich ook een ongelijkheid blijkt tussen de degradatie van de schuldvordering van de RSZ ten opzichte van de andere schuldeisers, inclusief de fiscus, oordeelde het Hof van Beroep te Gent (21 november 2011) dat de vordering van de RSZ van een andere aard is dan deze van de fiscus, en dat er daarom voor de verschillende behandeling van hun respectieve schuldvorderingen een objectieve en redelijke verantwoording bestaat.

Conclusie

Let er dus op dat een opdeling in verschillende categorieën van schuldeisers en een gedifferentieerde regeling voor elk van deze categorieën goed en doordacht gebeurt, en dat ze verantwoord moet kunnen worden in functie van zowel de aard van de schuldvordering(en) als het doel van de W.C.O., zijnde de bewerkstelling van de continuïteit van de onderneming in moeilijkheden.  Zonder enige redelijke verantwoording institutionele schuldeisers zoals fiscus en RSZ, of een andere categorie van schuldeisers, voor het leeuwendeel van de schulden laten opdraaien, kan voor de Rechtbank een reden zijn om een reorganisatieplan dat nochtans gestemd is, toch af te wijzen.