Vierdelige opleidingscyclus actualia vermogensrecht (opleiding 4)
11/12/2018, 17u30

De hervorming van de erfbelasting. Wijzigingen na de hervorming van het erfrecht en evaluatie op vlak van successieplanning. Een analyse.

Veerle De Jaeghere, Trigger Effect

Bijzonder positieve ervaring met Bright advocaten omdat zij gepassioneerd werk leveren, ze...

08/05/2014

WCO - onderscheid tussen strategische en niet-strategische schuldeisers aanvaard door Cassatie

Het sluitstuk van een procedure van gerechtelijke reorganisatie overeenkomstig de Wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen (gewijzigd bij Wet van 27 mei 2013; hierna afgekort als "WCO") is het opmaken door de schuldenaar van een herstel- en reorganisatieplan. Daarin dient hij niet alleen de staat van de onderneming en de moeilijkheden die zij ondervindt te beschrijven, maar ook de maatregelen die hij voorstelt om aan de verschillende schuldvorderingen in de opschorting tegemoet te komen en de mate waarin hij dat zal doen (art. 47 WCO).

Dit herstel- en reorganisatieplan wordt vervolgens voorgelegd aan eerst de schuldeisers die het recht hebben om voor of tegen te stemmen en vervolgens aan de Rechtbank die, ondanks dat de schuldeisers het plan goedkeuren en het de vereiste dubbele meerderheid haalt (een meerderheid van de tegenwoordige of vertegenwoordigde schuldeisers die de helft van de in hoofdsom vertegenwoordigde bedragen vertegenwoordigen - artikel 54 WCO), alsnog de homologatie kan weigeren wanneer bepaalde pleegvormen zijn miskend, of wanneer het plan de openbare orde schendt (art. 55, §1 WCO). Dat laatste komt dan veelal neer op een schending van het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie (artn. 10 en 11 Grondwet).

Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie komt er stricto sensu op neer dat behoudens de uitzonderingen die voor bepaalde bijzondere gevallen in de wet zijn voorzien, alle Belgen gelijk zijn voor de wet (art. 10 Grondwet) en dat het genot van de rechten en vrijheid aan de Belgen toegekend zonder discriminatie verzekerd moet worden (art. 11 Grondwet). Het mag duidelijk zijn dat een strikte toepassing van dit beginsel praktisch evenwel onmogelijk is. Een samenleving waarin geen enkel onderscheid kan worden gemaakt zou onwerkbaar zijn. Het is dan ook vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (voorheen Arbitragehof) dat men toch wel een verschil in behandeling kan instellen voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.

Ook de WCO voorziet in art. 49, eerste lid uitdrukkelijk dat een herstel- en reorganisatieplan in een gedifferentieerde behandeling van schuldeisers en schuldvorderingen kan voorzien. In het sinds de wet van 27 mei 2013 nieuwe art. 49/1 WCO heeft de wetgever ten andere zelf enkele differentiaties gecreëerd waardoor bijvoorbeeld schuldvorderingen van openbare schuldeisers (RSZ, Fiscus,...) of schuldvorderingen uit hoofde van arbeidsprestaties een betere bescherming genieten dan andere gewone schuldeisers. Desalniettemin leiden veel procedures van gerechtelijke reorganisatie precies op dat punt tot discussie. Veelal stelt zich dan de vraag of het gehanteerde criterium om tussen de verschillende schuldeisers een onderscheid te maken en de ene beter te bedelen dan de andere, wel een objectief en redelijk verantwoord criterium is.

In voormeld art. 49 WCO is bepaald dat het herstel- en reorganisatieplan in een gedifferentieerde regeling kan voorzien onder meer op grond van de omvang of de aard van de schuldvordering. Terwijl veel herstel- en reorganisatieplannen daarom effectief een indeling maakten tussen grote, mindergrote en kleine schuldvorderingen, of naar gelang de aard van de schuldvorderingen, is gaandeweg de praktijk ontstaan om de differentiatie meer te laten aansluiten bij de functie en geest van de wet, zijnde het beschermen van de continuïteit van de onderneming. Dan is het veel logischer om schuldvorderingen niet zomaar volgens aard of omvang in te delen, maar wel in functie van de schuldeisers die men al dan niet verder nodig heeft, of waarmee het vanuit economisch standpunt bekeken nuttig zou zijn verder met hen samen te werken, een onderscheid dus tussen strategische en niet-strategische schuldeisers.   

Onder meer de 7e kamer van Hof van Beroep te Gent heeft op dat vlak de voorbije jaren enkele belangrijke arresten geveld (zie o.m. de arresten van 10 september 2010, 10 september 2012, 18 maart 2013, 10 juni 2013). Telkens oordeelde het Hof dat het nut en/of de noodzaak om met bepaalde schuldeisers al dan niet verder te werken in de toekomst, dus om na de herstructurering de continuïteit van de onderneming te garanderen, een valabel objectief criterium is en dat een onderscheid tussen strategisch en niet-strategische schuldeisers aldus kan, op voorwaarde evenwel dat de indeling van schuldeisers in de ene of de andere categorie niet arbitrair gebeurt maar op redelijk verantwoorde wijze.

Deze rechtspraak van het Hof van Beroep te Gent wordt naar aanleiding van een cassatieberoep tegen haar arrest van 10 juni 2013 nu ook bevestigd door het Hof van Cassatie van 13 maart 2014.