Gezonde ondernemingen beschermd tegen faillissement!

Gezonde ondernemingen beschermd tegen faillissement!

De Covid 19 pandemie van de voorbije weken, en de lockdown die daar het gevolg van is geweest, hebben evident hun sporen nagelaten, ook voor ondernemingen. Ondanks steunmaatregelen in de vorm van compensatietussenkomsten, garanties voor overbruggingskredieten, opschorting van kapitaalaflossingen, uitstel van BTW betalingen, edm. zullen veel ondernemingen het nog steeds moeilijk krijgen. Ondernemingen die voor de aanvang van de crisis evenwel ‘gezond’ waren, kunnen evenwel ook daar op de steun van de overheid rekenen.

Wettelijke bescherming of moratorium

Een verplichte sluiting van bedrijven, horeca en scholen, minder consumptie en minder bestellingen, (bijkomende) investeringen in social distancing, stuk voor stuk zaken die in meer of mindere mate wegen op de financiële gezondheid van ondernemers en ondernemingen. Velen komen zo in de problemen om hun eigen verbintenissen na te komen en hun facturen verder te betalen.

Om te vermijden dat elk van die ondernemingen, die voor de Covid 19 pandemie en de verminderde economie die daar een gevolg van is geweest mogelijks een perfect gezonde onderneming waren, haar toevlucht zou moeten nemen tot de procedure van gerechtelijke reorganisatie, beter gekend als W.C.O., werd bij Koninklijk Besluit n° 15 van 24 april 2020 beslist om in een automatische bescherming te voorzien. Een wettelijk moratorium dus, initieel tot 17 mei 2020 maar inmiddels verlengd tot 17 juni 2020.

 

Voor “gezonde” ondernemingen

De bescherming geldt voor ondernemingen van wie de continuïteit in het gedrang komt als een rechtstreeks of onrechtstreeks gevolg van de Covid 19 pandemie en die nog niet in staking van betaling waren op 18 maart 2020, aanvang van de lockdown (art. 1, 1e al. KB n° 15).  Ondernemingen die toen al structureel in gebreke waren om hun betaalverplichtingen na te komen dus niet in aanmerking.

Iedere belanghebbende kan zich in geval van (vermeende) misbruiken trouwens wenden tot de voorzitter van de bevoegde ondernemingsrechtbank en opheffing vragen van het moratorium. Vorderingen in die zin worden behandeld zoals in kort geding, en de  voorzitter zal in zijn beoordeling rekening moeten houden met onder meer de precieze impact van de pandemie op omzet en/of activiteiten van de betreffende onderneming, of er een verplichte sluiting is geweest of niet, of er volledig of deels beroep is gedaan op economische werkloosheid, edm. (art. 1, 2e al. KB n° 15).

Het behoort tot de bevoegdheid van de aangesproken voorzitter om de bescherming van de onderneming ofwel te handhaven ofwel op te heffen, geheel of gedeeltelijk, steeds mist uitdrukkelijke motivering van het hoe en het waarom (art. 1, 2e al. KB n° 15).

 

Bescherming tegen beslag en faillissement

Ondernemingen die onder het toepassingsgebied vallen van het betreffende besluit zien zich beschermd tegen bewarend en uitvoerend beslag op roerende goederen; reeds gelegde beslagen kunnen niet worden voortgezet. Beslag op onroerende goederen en op zee- en binnenschepen blijft wel mogelijk (art. 1, 1e al., 1e str. KB n° 15).

De betreffende onderneming kan in de periode van het moratorium ook niet in faillissement of gerechtelijke ontbinding worden gedagvaard, tenzij op initiatief van de Openbaar Ministerie of in toepassing van art. XX.32 WER ingeval van een voorlopig bewind, of nog met instemming of op eigen verzoek van de schuldenaar zelf. Evenmin zal het Openbaar Ministerie in toepassing van art. XX.84, §2 WER, in de context van een gerechtelijke reorganisatie of W.C.O., een overdracht onder gerechtelijk gezag kunnen bevelen (art. 1, 1e al., 2e str. KB n° 15).

Voor ondernemingen die zich reeds in de uitvoeringsfase van dergelijke gerechtelijke reorganisatie bevinden is bovendien voorzien dat betalingstermijnen die zijn opgenomen in hun reorganisatie- of herstelplan (art. 82 WER) worden verlengd met de duur waarvoor de opschorting ingevolge het betreffende besluit geldt, desgevallend dus mits verlenging van de wettelijke maximumduur van 5 jaar (art. 1, 1e al., 3e str. KB n° 15).

In art. 1, 1e al., 4e str. KB n° 15 is tot slot nog bepaald dat overeenkomsten die werden gesloten voor de inwerkingtreding van het besluit niet éénzijdig of gerechtelijk ontbonden kunnen worden wegens de enkele wanbetaling van een geldschuld, arbeidsovereenkomsten evenwel uitgezonderd. Tenzij situaties van economische werkloosheid, edm. met personeel dus hoe dan ook verder betaald worden!

 

Geen verplichting tot aangifte van faillissement

Elke onderneming die aan de faillissementsvoorwaarden voldoet, die zich dus in staking van betaling bevind en die die niet meer kredietwaardig is, is in principe verplicht om aangifte van faillissement te doen (art.XX.102 WER).

Indien de onderneming evenwel in die situatie terecht is gekomen precies door de Covid 19 pandemie en haar gevolgen, dan wordt ook die verplichting opgeschort en geldt er dus tijdelijk geen verplichting om aangifte van faillissement te doen, dit voor dezelfde termijn als deze waarin het moratorium tegen beslag en dagvaarding in faillissement gelden (art. 2 KB n° 15).

 

Vragen of concrete bijstand nodig?

Heeft u daar vragen over of wenst u meer informatie over te bekomen, als onderneming die dergelijke procedure overweegt of als schuldeiser die zijn of haar rechten en mogelijkheden wil kennen, neem gerust contact met ons op.

Contacteer ons vandaag nog.